Dan hier uitgebreider ingegaan op de vraag die ook Digit, Heeck en Magnolia bezighoudt. Ik doe mijn best om dat in overzichtelijk en in algemene termen te doen.
axxyanus schreef:Wat in de huidige werkzame behandelingen, bevestigt voldoende van het oorspronkelijke PA-denkkader om over PA-behandelingen te blijven spreken? Dat lijkt me de te beantwoorden vraag om PA als geldig etiket te kunnen behouden.
De hele manier van kijken, denken, behandelen is essentieel anders bij psychoanalytische psychotherapievormen, dan bij andere vormen van psychotherapie.
Om dat te kunnen begrijpen is kennis en context nodig van psychotherapie als vak, de gebruikte theoretische kaders, de gebruikte methoden, technieken enzovoort. Een antwoord in deze tendens wordt vaak verguisd door critici van buiten het vak omdat zij daar een tactiek in zien niet to the point te hoeven komen. Ik ben het daar niet mee eens, die kennis is gewoon nodig. Ik zal hierbij een poging doen om dat heel gecomprimeerd op te schrijven.
Je moet je hiervoor beseffen hoe de psychiatrie eruit zag op moment dat Freud ten tonele verscheen. Er was feitelijk enkel sprake van onderkenning van de ‘psychose’, men ging uit van een defectmodel. De patiënten waren ‘gestoord’ en men kon er weinig aan doen, zeker niet gezien de stand van de kennis van dat moment. Freud heeft de verschuiving van de psychose naar de neurose gemaakt, van defectmodel naar conflictmodel. Die is zeer relevant voor alles wat hulpverlening anno nu is. Hij heeft feitelijk een nieuwe groep patiënten aangeboord. De grens tussen abnormaliteit en normaliteit is verschoven. De psychoanalytische kijk bood ineens een kans op herstel van (persoonlijkheids-) ontwikkeling in een werkveld van onbehandelbare zieken.
Freud is feitelijk de bedenker van de psychodynamische psychotherapieën, van de inzichtgevende, persoonsgerichte psychotherapie. Hij heeft de methode van deze psychotherapie ontwikkeld. De therapeutische houding die een nul- houding is: patiënt en zijn geschiedenis, ervaringen, betekenisverlening staat centraal, niet de ziekte. Dat is essentieel in psychoanalytische psychotherapieën. Bij veel cognitief gedragstherapeutische therapieën gaat het primair om de stoornis, dat is een totaal ander uitgangspunt. Veel instellingen hadden dan ook lange tijd verschillende behandelteams die zich onderscheidden in ‘klachtgericht’ versus ‘persoonsgericht’ waarbij het natuurlijk wel zo is dat patiënten van beide behandelteams klachten hebben, maar de aard en ontstaansgeschiedenis en daarmee de diagnostiek en behandeling verschilt. Tegenwoordig werkt men meer in zorgprogramma’s, problematiek geordend op stoornis. Binnen die zorgprogramma’s werken dan weer verschillende disciplines die ingezet worden gelang dat nodig wordt geacht.
Wat volgt uit die persoonsgerichte benadering, is neutraliteit zonder moreel oordeel, de therapeut onthoudt zich van oordeel over bijvoorbeeld of hetgeen patiënt ervaart, voelt, betekenisverleent, normaal is of abnormaal. Vervolgens spelen in psychoanalytische psychotherapieën de overdracht en tegenoverdracht een essentiële rol, niet alleen als diagnostisch criterium maar ook als instrument, zowel voor de patiënt als de psychotherapeut gelden deze begrippen. Bij niet- psychoanalytisch georiënteerde psychotherapievormen heeft men vaak ook wel kennis en zicht op die overdracht en tegenoverdracht maar is die geen onderwerp binnen de behandelde problematiek tenzij die de behandeling verhinderd. In de psychoanalytische psychotherapie is de betekenis van de (vroege) jeugd essentieel. De kwaliteit van de hechting, objectrelaties, objectconstantie, het goed doorgekomen zijn van deze ontwikkelingstaken en de problemen waar mensen tegenaan lopen in hun volwassen leven als dat op een bepaald gebied niet zo is. Penisnijd en Oedipus hebben het veld geruimd voor falsificeerbare psychologische theorieën. Bij andere psychotherapievarianten gaat het vaak om een gestelde diagnose en daaruit voorkomende problematieken in het heden en oplossingen, gedragsveranderingen hier heel concreet op gericht. De psychoanalytische therapieën gaan uit van het ongedaan maken van oude oplossingen in relatie tot de psychotherapeut, blijvende oplossingen ten aanzien van conflicten, angsten en verlangens. De psychoanalytische psychotherapieën zijn daarbij zoals gezegd niet directief, maar non- directief omdat het idee is dat mensen niet altijd bewust zijn ten aanzien van hun intrapsychische conflicten en door sturend te zijn worden die niet bewust. Andere psychotherapievormen zijn juist wel directief, de aard van de relatie therapeut- patiënt is daardoor heel anders en feitelijk meer die van genezer- patiënt, de klassieke arts- patiënt relatie, en komt daardoor ook meer overeen met de somatische geneeskunde waar dit natuurlijk evident is. Psychoanalytische psychotherapieën, dat geldt zeker voor de klassieke kuur maar in mindere mate voor modernere varianten, volgen feitelijk niet het medisch model, cognitief gedragstherapeutische benaderingen doen dat wel of in ieder geval veel meer.
Vervolgens ontstaan, dat moge hier bekend zijn, allerlei problemen met effectmetingen. Als men klachtgericht werkt, definieert men de stoornis in termen van het (hiervoor samengestelde) DSM-IV, men randomiseert over verschillende behandelcondities, gooit het door SPSS en voila. Voor de varianten van psychoanalytische psychotherapie die de laatste decennia ontwikkeld zijn, gaat dat ook nog wel goed zeker wanneer die stoornisspecifiek ontwikkeld zijn. De klassieke kuur heeft een probleem, want door haar wegdrijven van het medisch model, de veronderstelling van niet of moeilijk falsificeerbare psychologische constructen, het onmogelijk kunnen randomiseren van patiënten gezien de specifieke inclusiecriteria die ik in een vorige post samenvatte, zijn er grote problemen met operationalisatie. Er is wel onderzoek waarbij patiënten na 1, 2, 3 en 4 jaar therapie onderling werken vergeleken en vooruitgang zou zijn gevonden, en er is in 2007 iemand gepromoveerd op de effectiviteit van de psychoanalyse maar dat laat onverlet dat dit niet overtuigend genoeg is afgezet tegen het dominante oordeel, de RCT.