KOSMOLOGIE

Menswetenschappen, natuurwetenschappen, cultuurwetenschappen, formele wetenschappen, toegepaste wetenschappen, interdisciplinair, ...

Berichtdoor The Menace » 16 sep 2008, 13:08

Fish schreef:Wat me soms wakker houd is het volgende, heeft ruimte massa, hoe anders kan het krommen?

Heeft een electromagnetisch veld massa? Nee toch?
Heeft zwaartekracht (de kracht zelf) massa? Nee toch?

Maar de 'ruimte' om een object heen - waaronder de zwaartekracht en en het (electro)magnetisch veld - is wel degelijk afhankelijk van dat object. En kan dus krommen.

Maar om te weten hóe een electromagnetisch veld kan krommen, zul je misschien eerst exact moeten weten hoe het werkt. Volgens mij is daar nog veel onduidelijkheid over.

Ongtwijfeld zijn er mensen die me hierin kunnen verbeteren en/of aanvullen. Graag!
Utinam logica falsa tuam philosophiam totam suffodiant.
Avatar gebruiker
The Menace
 
Berichten: 619
Geregistreerd: 30 mei 2008, 10:33
Woonplaats: Nijmegen

Berichtdoor The Menace » 16 sep 2008, 13:56

Ik zit er nog even over na te denken en ik vraag me nu wel af wat er precies voor zorgt dat ruimte ruimte is :roll:

Hetgene wat gekromd wordt, is volgens mij vooral de zwaartekracht, toch? Kan het zijn dat het veld (het vlak, het stuk, het gedeelte, etc.) waarin de zwaartekracht werkt, in principe gelijk blijft, maar dat alleen de zwaartekracht die daarin werkzaam is, kromt?
Utinam logica falsa tuam philosophiam totam suffodiant.
Avatar gebruiker
The Menace
 
Berichten: 619
Geregistreerd: 30 mei 2008, 10:33
Woonplaats: Nijmegen

Berichtdoor Blueflame » 16 sep 2008, 17:04

Dit weekend heb ik enkele interessante ( Engelstalige ) artikels gelezen, waarvan ik dacht dat ze toch wel interessant waren voor dit topic om de moeite van vertaling te doen, gezien de recente ontwikkelingen; al heb ik ondertussen gezien dat er alweer nieuwe vragen gerezen zijn. Voor begrip van onderstaande tekst zijn geen formules en hersenkramp gevende wiskunde nodig. Het onderstaande bericht is hoofdzakelijk gebaseerd op 2 artikels van sciam [ www.sciam.com ], werk van Lineweaver, Davis, en de Engelstalige WIKI. Voor een volledig inzicht en formule-verifiëring voldoet de Nederlandstalige WIKI helaas NIET. Niet dat de Nederlandstalige WIKI pertinent fout zou zijn. De Nederlandstalige is gewoonweg ontoereikend. Een duidelijk voorbeeld zou kunnen zijn roodverschuiving en redshift. De Nederlandstalige geeft 'een idee', maar is in wezen ontoereikend. Dit voor diegene die tot op het bot willen gaan.

Misschien valt er dus toch nog wel wat interessants te vertellen over het expanderende heelal en over de triggerende vraag van The Menace. Voor wie dat interessant vindt dus ...... .

Ik begin met de wet van Hubble : er is recht-evenredigheid tussen de beginafstand van 2 punten en de snelheid waarmee de afstand tussen 2 punten in het heelal toeneemt. Daaruit volgt dat je ELKE gewenste verwijderingssnelheid kan krijgen als je maar op voldoende grote afstand van elkaar begint.

Het universum expandeert. Dat is reeds voldoende vastgesteld. Andere sterrenstelsels dan het onze verwijderen zich dus van ons en van elkaar en dit schijnt te gebeuren aan hoge snelheden. Veraf gelegen sterrenstelsels verwijderen zich sneller dan nabij gelegen stelsels, wat dus Hubble's wet schijnt te bevestigen.

Astronomen gebruiken de zogenaamde Hubble constante om aan te duiden hoe snel het universum expandeert. Om u dat expanderen voor te stellen kan je denken aan een krentenbrood. Ik meen me te herinneren dat JM dit reeds vroeger schreef, maar bon: deze herhaling zal mij wel vergeven worden. Bekijk het dus als een deeg met krenten in het deeg dat je in de oven plaatst. De krenten zijn sterrenstelsels en het deeg is de ruimte. Wanneer het deeg opwarmt, dan gaat het deeg uitzetten en de krenten gaan verder uit elkaar liggen.
Die Hubble constante kan op verschillende manieren geschreven worden. Eén manier is om deze in procenten uit te drukken en zo krijgt men 0,007% per miljoen jaar. Dat wil dan zeggen dat elk miljoen jaar, de afstand tussen de sterrenstelsels met 0,007 % toeneemt. Dat is bijzonder weinig. Daaruit kan je afleiden dat het heelal héél oud is. Maar ook dat als je slechts enkele miljoenen jaren zou teruggaan, dat het heelal er dan ongeveer hetzelfde zou uitzien als nu.

Maar wat als je een paar miljard jaar zou terugkeren? Dat is een andere zaak. Het licht heeft dan een zeer grote afstand ( en tijd ) afgelegd, zodat het Universum wel serieus veranderd is. In dit geval gebruikt men de wet van Hubble niet, omwille van allerlei problemen. Ik belicht even zo'n probleem. Als je de afstand tot een sterrenstelsel zou willen meten, welke afstand ga je dan meten ? De afstand op het moment dat het licht werd uitgezonden of de afstand die het licht heeft moeten afleggen om ons te bereiken ? Deze laatste afstand is uiteraard groter, daar het universum verder is uitgezet en dus is de afstand vergroot ~ ons krentenbrood is in de oven gebleven. Het probleem is nog niet opgelost, want de Hubble constante varieert met de tijd. Dat wil dan weer zeggen dat het verwijderen van sterrenstelsels kan versnellen of kan vertragen. Dus als je het hebt over de snelheid van expansie, hebben we het dan over de snelheid van expansie op het moment van de licht emissie of over de snelheid nu of iets daartussen ? Je kan dat niet direct meten.

De oplossing komt uit de hoek van het licht en wat men doorgaans roodverschuiving noemt. Dit is wel direct meetbaar door vergelijking met bijvoorbeeld zonlicht. Licht dat naar ons toekomt vanuit een bron die zich van ons verwijdert, verschuift naar rood. Komt de bron naar ons toe, dan treedt blauwverschuiving op. Daar nu het licht zich door ons universum verplaatst dat zelf uitzet, krijgen we roodverschuiving ( de afstand wordt groter ). Naargelang de mate van verschuiving kan de snelheid dan berekend worden. Daarnaast kijkt men naar gekende objecten binnen een melkwegstelsel en dan gaat men vergelijken hoe helder deze objecten zijn t.o.v. elkaar. Als je een lamp neemt van 100 Watt en je bent er zeker van dat je altijd 100 Watt voeding geeft, dan kan je aan de helderheid aflezen hoe ver de lamp van jouw verwijderd is. Hoe verder ,hoe 'flauwer/zwakker' het licht. Het voordeel van afstand en snelheid te bepalen met roodverschuiving en helderheid is dat deze waarden gekend zijn.
Een bijkomend voordeel is dat de astronomen met modellen de expansie kunnen narekenen op basis van de roodverschuiving en de helderheid en dus zo de grootte en de mate van verschuiving van de Hubble constante kunnen berekenen. Het computermodel moet overeenkomen met de waarnemingen. Dan weet je dat je juist zit.
Volgens deze berekeningen is het zo dat het heelal expandeert, en wel steeds sneller en sneller.

Nog even iets over de wet van Hubble. Andromeda, het dichtst bijzijnde sterrenstelsel, beweegt zich naar ons toe en dat is dus niet in overeenstemming met de wet van Hubble. Dit kan tot verwarring leiden. Wel, het is nu eenmaal zo dat de wet van Hubble handelt over de meerderheid der sterrenstelsels. Lokale verschillen zijn altijd mogelijk. Merk ook op dat volgens deze wet het heelal niet aan een uniforme snelheid expandeert. Voorwerpen die verder van ons af staan dan 14 miljard lichtjaar verwijderen zich aan een snelheid die hoger is dan de lichtsnelheid. Dit lijkt in tegenspraak met Einstein's speciale relativiteitstheorie ( SRT ) , maar is het niet. De SRT handelt over normale snelheden door de ruimte. Het verwijderen van sterrenstelsels op een grote afstand van ons moet gezien worden door de bril van de algemene relativiteitstheorie ( ART ) omdat de ruimte zelf expandeert. Zoals ik elders reeds schreef, mag je veraf en vlakbij in de ART niet door elkaar halen.

Ook wat de roodverschuiving betreft, moet je opletten. Soms wordt er een vergelijking gemaakt met de doppler shift, bv. door te wijzen op de veranderende toonhoogte van de sirene van een ziekenwagen. De roodverschuiving door doppler shift en de kosmologische dopplershift hebben een andere formule. De ene heeft betrekking op de SRT en de tweede op de ART. De eerste houdt geen rekening met de uitzetting van de ruimte, de tweede wel. Berekend met de normale formule zouden objecten die bijna aan de lichtsnelheid reizen een roodverschuiving kennen die naar oneindig gaat en dus onzichtbaar. In dat geval zouden de verst van ons verwijderde voorwerpen die wij kunnen waarnemen diegene zijn die zich aan een snelheid kleiner dan de lichtsnelheid verplaatsen. Maar de kosmologische formules leiden dus tot een andere conclusie : sterrenstelsels met een roodverschuiving van 1,5 ( dat betekent sterrenstelsels waarvan het licht een golflengte heeft die 150% langer is dan de referentie ) verwijderen zich van ons met een snelheid die groter is dan de lichtsnelheid. Zo zijn er ongeveer een duizendtal waargenomen. En ook wij verwijderen ons dus van deze stelsels aan een snelheid die groter is dan de lichtsnelheid.

Het licht staat stil ......

Het idee dat je een sterrenstelsel kan zien dat zich sneller dan het licht van ons verwijdert is op het eerste gezicht bizar en het lijkt fout. Maar wacht even. Het wordt nog gekker. Stel u een lichtstraal voor die zich op de Hubble-afstand van 14 miljard lichtjaar[*] bevindt en die zich naar ons probeert te verplaatsen. Dat gebeurt uiteraard aan de lichtsnelheid gezien vanuit zijn eigen localiteit, maar zijn eigen localiteit verwijdert zich van ons aan een snelheid die groter is dan de lichtsnelheid ! Alhoewel de lichtstraal aan de hoogst mogelijke snelheid zich naar ons toe beweegt, namelijk aan de lichtsnelheid ( voor de lichtstraal lokaal bekeken, ik herhaal ) , kan het nooit op tegen het uitrekken van de ruimte rondom zichzelf !
En nu denk ik dus even aan onze 'Rudeonline', die denkelijk nu 'Basbas' is, een zijn beruchte 'het licht staat stil', al heeft hij het nooit zo uitgedrukt : het is voorstelbaar dat er een evenwicht bestaat tussen de lokale lichtsnelheid en het expanderen van het heelal, zodat het van hieruit zou lijken of het licht stil staat. Uiteraard haal je hiermee 2 standpunten door elkaar en haal je SRT en ART door elkaar, dat weet ik wel, maar toch vond ik het een grappige gedachte [ enkel de hier al wat langere aanwezige forumgebruikers kunnen mij hier volgen denk ik ] .

Je zou nu kunnen denken dat licht van voorbij de Hubble-afstand ons nooit zou kunnen bereiken. Fout. De Hubble-constante is, zoals reeds eerder gezegd, niet echt constant. Die verandert met de tijd. De Hubble constante is evenredig met de mate van vergroting van de afstand tussen twee sterrenstelsels, gedeeld door die afstand. En wat blijkt ? De Hubble-constante neemt af en dat wil dan weer zeggen dat de Hubble-afstand vergroot. Dat wil dus zeggen dat een lichtstraal die eerder nog buiten de Hubble-afstand lag, er na verloop van tijd zal kunnen binnen liggen. Of anders gezegd : de fotonen bevinden zich nu in een omgeving die zich trager dan de lichtsnelheid van ons verwijderen en kunnen ons dus alsnog bereiken. Het gekke en contra-intuïtieve is dat het sterrenstelsel waarvan deze lichtstraal afkomstig is, zich mogelijk nog steeds aan een snelheid die groter is dan de lichtsnelheid van ons verwijdert en dat wij dat voorwerp 'zelf' dus nooit zullen kunnen waarnemen.

De Hubble-afstand is dus niet constant en is ook niet de grens van ons universum op dit moment !
In een statisch heelal zou het verste object zich op een afstand van 14 miljard lichtjaar bevinden en uitgezonden licht zou ons nu bereikt hebben. Doch aangezien het heelal nog steeds aan het uitzetten is, zet ook de ruimte achter een foton uit. Daardoor is de afstand op dit moment tot het verste object dat wij kunnen zien, verder dan 14 miljard lichtjaar, nl.46 miljard lichtjaar [**] . Dat wil zeggen dat het object dat we zien als zijnde op een afstand van 14 miljard lichtjaar , zich NU al veel verder bevindt.

En dan nu de vraag van The Menace. De recente bevindingen dat de expansiesnelheid van het heelal nog aan het toenemen is, is voor astronomen bijzonder. Waar men vroeger dacht dat we steeds meer sterrenstelsels te zien zouden krijgen ( omdat de expansiesnelheid af nam ), is het nu duidelijk dat het tegendeel waar is. In een nog versnellend uitzettend heelal worden wij uiteraard eveneens geconfronteerd met een grens. Gebeurtenissen die plaatsvinden achter deze grens, zullen wij nooit te zien krijgen. Als licht van sterrenstelsels, die zich met een snelheid die groter is dan de lichtsnelheid van ons verwijderen, ons moet bereiken, dan zou de Hubble-afstand moeten vergroten, maar in een uitdijend heelal dat nog aan het versnellen is, stopt die vergroting. En hiermee kan ik dan ook bevestigen wat The Menace zijn vraag was:

The Menace schreef:Pas nog in de Quest (ik geloof van mei dit jaar) gelezen dat een object dat zich zo'n 14 miljard lichtjaar van ons vandaan bevindt, zich van ons verwijderd met een snelheid die groter is dan de lichtsnelheid.
Niet omdat dat object en wij zo snel zijn, maar als gevolg van de uitdijende ruimte.

Als dat zo is, betekent het dus dat licht dat nu van daaruit vertrekt, nooit bij ons aan zal kunnen komen.

Klopt dat een beetje?


Dan zou ik zeggen : ja dat klopt ongeveer. Een event dat gebeurt VOORBIJ die 14(16, zie [**] ) miljard lichtjaar, daar zullen wij nooit iets van weten. Gezien de schommelingen van de Hubble-afstand moet het er dus wel voldoende ver achter plaatsvinden.

Samenvattend besluit:
Een nog versnellend heelal lijkt op een zwart gat, in de zin dat het een 'event horizon' heeft, een grens. En voorbij deze grens kunnen wij niets zien. De huidige afstand tot deze 'event horizon' is ongeveer 16 miljard lichtjaar. Licht dat wordt uitgezonden door sterrenstelsels die nu voorbij die 'event horizon' zijn, zal ons nooit kunnen bereiken. De afstand die nu overeenkomt met 16 miljard lichtjaar zal namelijk veel te snel te groot worden, omdat de expansie te snel gaat. Gebeurtenissen voorbij deze grens kunnen hun lichtstralen wel naar ons toe zenden, maar deze stralen zitten als het ware gevangen achter de Hubble-afstand. We kunnen wel de gebeurtenissen zien die voorvielen voordat deze sterrenstelsels over deze grens gingen, maar gebeurtenissen die daarna voorvielen, zullen wij nooit zien.

[*]Sommige bronnen plaatsen heden ten dage de Hubble-afstand op 16 miljard lichtjaar. Excuses voor de verwarring; kan ik niet aan doen.
[**]De berekening van deze 46 miljard lichtjaar kan ik nergens vinden; het gaat om het idee.

Is dit nu evangelie ? Neen : zoals steeds is het dat niet en het is mogelijk dat nieuwe bedenking dit inzicht veranderen. En da's maar goed ook zeker ?

Mvg,

Blue.
Nonsense is our core business
Avatar gebruiker
Blueflame
Site Admin
 
Berichten: 4139
Geregistreerd: 20 okt 2006, 12:43

het oerknalparadigma

Berichtdoor jm074 » 16 sep 2008, 18:22

Het oerknalparadigma is tegenwoordig het kosmologisch model waarin de wetenschappers, trachten meer inzicht te verkrijgen in de structuur en de geschiedenis van ons heelal. Experimenteren, zoals in laboratoria, is daarbij uitgesloten. Waarnemen met steeds krachtiger en gesofistikeerde instrumenten van op de aarde en van uit ruimtetuigen behoort wel tot de mogelijkheden. Het is daarbij van het allergrootste belang dat de natuurwetten, die op aarde werden ontdekt, blijkbaar geldig zijn tot in de verste uithoeken van het universum; het zijn universele wetten. Van even groot belang is het feit dat elektromagnetische straling zich door de ruimte voortplant met een eindige snelheid. Dat laat ons toe ver afgelegen structuren waar te nemen zoals ze in het verleden waren. Kennis van de evolutie van ons heelal zou anders onmogelijk zijn geweest.

Hoe zijn de wetenschappers ertoe gekomen het oerknalparadigma als kosmologisch model te kiezen? De aanzet tot zijn ontwikkeling gaat terug tot het begin van de vorige eeuw. Een korte chronologie lijkt hier niet misplaatst.

- 1915: publicatie door Albert Einstein (1879-1955) van zijn ART (Algemene Relativiteitstheorie). Deze kende aanvankelijk weinig bijval bij de meeste wetenschappers. Als Einstein, overtuigd als hij was dat het heelal statisch moest zijn, constateert dat zijn theorie dat tegenspreekt, voert hij de kosmologische constante in om evenwicht te maken met de zwaartekracht. Vermeldenswaard is ook dat de ART o.a. voorspelt dat de lichtafbuiging in de nabijheid van de zon - reeds vermoed door Isaac Newton (1642-1727) - dubbel zo groot moet zijn als wat met de wet van de zwaartekracht kan worden berekend.
- 1917: Einstein stelt een model voor een statisch bolvormig heelal voor.
- 1918: Max Planck (1858-1947) krijgt de Nobelprijs voor natuurkunde voor zijn verklaring van de straling van zwarte lichamen. Later zal blijken dat het prille heelal straalde als een zwart lichaam. Sterren doen dat ook.
- 1919: Arthur Eddington (1882-1944), één van de zeldzame enthousiaste aanhangers van de ART, organiseert een tweevoudige expeditie ter gelegenheid van een volledige zonsverduistering in de nabijheid van de evenaar, om de lichtafbuiging van sterrenlicht in de nabijheid van de verduisterde zon te meten. Alhoewel de resultaten heel wat te wensen over lieten, werd in de wereldpers met veel poeha het grote gelijk van Einstein verkondigd. Deze werd op slag een beroemdheid.

- 1922: Alexander Friedmann (1888-1925) ontdekt een rekenfout in de ART met kosmologische constante en publiceert een vergelijking, voor een homogeen isotroop heelal zonder die constante. De theorie van een uitdijend of samentrekkend heelal werd een wiskundige mogelijkheid.
- 1923: Edwin Hubble (1889-1953) ontdekt dat de Andromeda nevel een heus sterrenstelsel is dat zich buiten ons Melkwegstelsel bevindt.
- 1927: Georges Lemaître (1894-1966) ontwikkelt, onafhankelijk van Friedmaan, het idee van een uitdijend heelal. Zijn heelalmodel wordt in 1949 door Fred Hoyle, hardnekkig verdediger van het Steady-State-model sarcastisch Big Bang genoemd. Noteer dat in Lemaître's model het heelal zou zijn ontstaan uit een oeratoom.
- 1929: Hubble publiceert een artikel waarin hij aankondigt dat er een verband is tussen de de afstand van de ondertussen ontdekte extragallactische stelsels en de snelheid waarmee ze zich van ons verwijderen. Dat is de wet van Hubble.

- begin jaren 40 tot 1953: George Gamov (1904-1968), Ralph Alpher(1921-2007) en Robert Herman(1914-1997) becijferen hoe in een heet heelal - door terug te rekenen vanuit de huidige toestand - de omgevingsvoorwaarden nucleosynthese en vorming van de eerste gasatomen mogelijk maakten. Hun onderzoek leidt tot de conclusie dat ons heelal moest beginnen als een superhete oersoep van vrije neutronen, protonen en elektronen. Na de 'recombinatie' als het heelal was afgekoeld tot ongeveer 3000°C zou er dan een ontkoppeling komen van straling en materie.
- 1948: Gamov publiceert zijn voorspelling dat de vrijgekomen straling tegenwoordig nog in het heelal waarneembaar moet zijn als kosmische achtergrondstraling. De drie wetenschappers berekenen zelfs, bij benadering, de temperatuur die zou overeenkomen met het huidige maximum intensiteit, maar hun werk krijgt niet de verdiende aandacht en in 1953 zetten zij er een punt achter. Noteer dat Gamov voor het eerst de kernfysica invoerde in de kosmologie en daar stond de wetenschappelijke wereld toen nog onwennig tegenover.

Dit is niet het einde van het verhaal. De voorspelling van Gamov werd later bevestigd. Daarover een volgende keer meer!

Groetjes,
jm074
"We are students of nature, and we adjust our concepts as the lessons continue"
P.James Peebles
jm074
 
Berichten: 800
Geregistreerd: 21 okt 2006, 16:00

Berichtdoor jm074 » 22 sep 2008, 17:59

De recente bijdrage van Blueflame zette mij weer aan het denken en het resultaat is dat ik mij geroepen voel één dezer dagen wat voort te borduren op die interessante tekst. Maar belofte maakt schuld, en vermits ik hierboven eindigde met de belofte voor een vervolg aan het oerknalparadigma zal ik eerst die belofte invullen.

In 1948 publiceerde Gamov dus zijn voorspelling van een kosmische achtergrondstraling als overblijfsel van de oerknal, maar de wetenschappelijke wereld had daar weinig belangstelling voor tot...

- 1964: als Robert Dicke (1916-1997), professor aan de universiteit van Princeton en zijn medewerkers een radiotelescoop met een horenvormige antenne bouwen om op zoek te gaan naar de achtergrondstraling. Dicke geloofde in een pulserend heelal en berekende dat, aan het einde van een contractiefase, de temperatuur daarin moest oplopen tot zo'n 10 miljard graden. Dat zou een thermonucleaire explosie (oerknal) veroorzaken waarin zeer energierijke gammastraling zou vrijkomen. Door uitdijing zou het heelal afkoelen en de zeer korte golven van de oorspronkelijke straling zouden worden uitgerekt tot ongeveer 3,2 cm (wat overeenstemt met 0,09 K). Dicke's speurtocht leverde aanvankelijk niets op.

- 1965: In Holmdel, op een tachtigtal km van Princeton, zijn twee wetenschappers van de Bell-Laboratoriums bezig met metingen van ruis komende van radiobronnen in de ruimte die de communicatiesystemen op aarde beïnvloedt. Als Arno Penzias (1933-?) en Robert Wilson (1936-?) bezig zijn met de meting van de emissies van radiobron Cassiopea A vinden zij een ruis van 4 K waarvoor ze geen verklaring hebben. Later blijkt dat 1 K veroorzaakt werd door een koppel duiven die zich in hun horenvormige antenne hadden genesteld en deze ook hadden bevuild, maar er bleef een ruis van ongeveer 3 K over, en die kwam uit alle richtingen. Het tweetal, dat niets afwist van Gamov's voorspelling en van het onderzoek in Princeton, staat voor een raadsel. Een vriend van Penzias brengt hem op de hoogte van het onderzoek van Dicke en deze laatste wordt, met zijn medewerkers, uitgenodigd naar Holmdel om te komen kijken naar die raadselachtige ruis. Resultaat: Yes, that's it! (uitroep door Dicke bij de eerste oogopslag). Zes maanden later wordt ook in Princeton straling met golflengte l = 3,2 cm gevonden en nog later, in Cambridge met golflengte l = 20,7 cm. De ontdekking van Penzias en Wilson, een treffend voorbeeld van serendipiteit, leverde hen in 1978 de Nobelprijs voor natuurkunde op. De ontdekking van de achtergrondstraling betekende de definitieve doorbraak van de oerknaltheorie en de doodsteek voor de Steady State theorie.

- 1989: Na verscheidene projecten van op aarde, lancering van COBE (Cosmic Background Explorer) die door metingen in de ruimte, buiten het bereik van aardse storingsbronnen, aantoont dat de achtergrondstraling - met maximum intensiteit op l = 1mm (2,735 K) - heel kleine anisotropie vertoont, die het ontstaan van sterren en sterrenstelsels mogelijk maakte.

- 2001: lancering van WMAP (Wilkinson Microwave Anisotropy Probe) die de anisotropie met grote nauwkeurigheid meet en een schat aan gegevens levert over het prille heelal.

- Binnenkort: lancering van Planck die, met nog grotere nauwkeurigheid, voor het ganse uitspansel, de achtergrondstraling zal opmeten.

Groetjes,
jm074
"We are students of nature, and we adjust our concepts as the lessons continue"
P.James Peebles
jm074
 
Berichten: 800
Geregistreerd: 21 okt 2006, 16:00

Berichtdoor jm074 » 27 sep 2008, 17:59

Hier volgt een eerste deel dat ik voortborduurde op de recente post van Blueflame.

Blueflame schreef:
Ik begin met de wet van Hubble : er is recht-evenredigheid tussen de beginafstand van 2 punten en de snelheid waarmee de afstand tussen 2 punten in het heelal toeneemt.

Dat klopt maar is,volgens mij, op nogal vreemde manier uitgedrukt. De wet van Hubble zegt letterlijk dat de verwijderingssnelheid van de extra-gallactische sterrenstelsels - tengevolge van de uitdijing van het heelal - evenredig is met hun afstand. Wiskundig uitgedrukt: v = H x S
Hierin is H de constante van Hubble, tegenwoordig ongeveer 2,3.10^-18 meter per seconde per meter afstand (S). Omdat H vroeger een andere waarde kon hebben is het eigenlijk geen constante. De uitdijing is tegenwoordig ofwel vertraagd door de werking van de zwaartekracht, ofwel versneld door de werking van de donkere energie. Wij weten het nog niet met absolute zekerheid, maar omdat die verandering van waarde in elk geval uiterst traag gebeurt, kan H wel als een constante worden beschouwd als het gaat om sterrenstelsels die niet te ver van ons verwijderd zijn. Bij veraf gelegen stelsels, waarvan de straling miljarden jaren onderweg was, mag de huidige waarde van H niet zonder meer worden gebruikt om de verwijderingssnelheid te berekenen. Dat is trouwens toch praktisch onmogelijk omdat hun afstand niet met voldoende nauwkeurigheid kan worden bepaald. De roodverschuiving, een maat voor de vluchtsnelheid, daarentegen is wel met de nodige precisie meetbaar, en dat zou toelaten de omgekeerde bewerking uit te voeren: de afstand berekenen uitgaande van de vluchtsnelheid, maar dat stuit dan weer op het feit dat de constante van Hubble vroeger, waarschijnlijk, een andere waarde had dan tegenwoordig.
Daaruit volgt dat je ELKE gewenste verwijderingssnelheid kan krijgen als je maar op voldoende grote afstand van elkaar begint.

Dat klopt, maar is wat misleidend. In de veronderstelling dat ons heelal zou zijn ontstaan uit een zeer klein oeratoom, zou men kunnen besluiten dat de verwijderingssnelheid van de sterrenstelsels nooit echt heel groot kon worden, wat wordt tegengesproken door de waarnemingen. Die snelheid is wel afhankelijk van de relatieve grootte van de beginafstand, ook als die, in absolute waarde, zeer klein was. Het is zo dat alle stelsels die zich nu op meer dan 1,31.10^26 m (13,85 miljard lichtjaar) van ons bevinden, zich verwijderen met een snelheid groter dan de lichtsnelheid. Geldt de wet niet sneller dan licht dan niet? Het antwoord is neen en dat kan de speciale relativiteitstheorie op losse schroeven zetten. De inflatietheorie doet dat trouwens eigenlijk ook al. Een verklaring voor de mogelijkheid van superluminale snelheden vinden wij in de manier waarop licht zich voortplant in een uitdijende ruimte en daar was Einstein niet van op de hoogte toen hij zijn SRT opstelde. Het verhaal over die voortplantingssnelheid is voor een volgende keer; daarvoor moeten wij een gedachte-experiment uitvoeren en dus beroep doen op onze verbeeldingskracht.

Vooraleer deze bijdrage af te sluiten wil ik alvast in herinnering brengen dat de lichtsnelheid onafhankelijk is van de bewegingstoestand van de stralingsbron en van die van de waarnemer. Een belangrijke vaststelling is anderzijds dat de uitrekking van de golflengte van elektromagnetische straling evenredig is met de uitrekking van de ruimte waarin die straling zich voortplant. Ons gedachte-experiment zal dat proberen duidelijk te maken.

Groetjes,
jm074
Laatst bijgewerkt door jm074 op 28 sep 2008, 16:53, in totaal 1 keer bewerkt.
"We are students of nature, and we adjust our concepts as the lessons continue"
P.James Peebles
jm074
 
Berichten: 800
Geregistreerd: 21 okt 2006, 16:00

Berichtdoor The Menace » 27 sep 2008, 20:36

jm074 schreef:Het is zo dat alle stelsels die zich nu op meer dan 1,31.10^26 m (13,85 miljard lichtjaar) van ons bevinden, zich verwijderen met een snelheid groter dan de lichtsnelheid.

Dat lijkt verdacht veel op de leeftijd van het Heelal. Hoe kom je aan die waarde? Is dat toeval, of houdt het één met het ander verband?

jm074 schreef:Het verhaal over die vortplantingssnelheid is voor een volgende keer

Waarom wachten?!
Utinam logica falsa tuam philosophiam totam suffodiant.
Avatar gebruiker
The Menace
 
Berichten: 619
Geregistreerd: 30 mei 2008, 10:33
Woonplaats: Nijmegen

Berichtdoor Blueflame » 27 sep 2008, 22:12

The Menace schreef:
jm074 schreef:Het verhaal over die vortplantingssnelheid is voor een volgende keer

Waarom wachten?!


Daar wil ik alvast op antwoorden; en ik meen ook in naam van JM.
Zowel JM als ikzelf 'doen aan kosmologie' als hobby. Dat wil dus zeggen : wanneer daar tijd voor is. Bovendien is daar zo goed als niets interessants over in het Nederlands geschreven. Bovendien is er niet één boek waaruit je kan plukken. Het is dus meestal plukken uit verschillende bronnen. Het schrijven van een post in dit topic vergt dan ook redelijk wat tijd. Heb jij al eens zo'n A4-tje gepost op dit forum ? Je zou verwondert kunnen staan over de tijd die je in één A4-tje steekt.

Vandaar dus dat je al eens moet geduld hebben.

Mvg.
Nonsense is our core business
Avatar gebruiker
Blueflame
Site Admin
 
Berichten: 4139
Geregistreerd: 20 okt 2006, 12:43

Berichtdoor The Menace » 28 sep 2008, 00:29

Fair enough.

En neen, ik heb nog geen A4-tje geplaatst. Wel vreemd eigenlijk dat er nog zo weinig over geschreven is (althans, in het nederlands). Er zijn toch best mensen die zich er beroepsmatig mee bezig houden? Pennen die alles alleen in het engels op?
Utinam logica falsa tuam philosophiam totam suffodiant.
Avatar gebruiker
The Menace
 
Berichten: 619
Geregistreerd: 30 mei 2008, 10:33
Woonplaats: Nijmegen

Berichtdoor wolkenstein » 28 sep 2008, 01:04

Aan mij zijn die A4tjes hier welbesteed.
wolkenstein
 
Berichten: 2732
Geregistreerd: 29 okt 2006, 01:30

Berichtdoor jm074 » 28 sep 2008, 16:51

The Menace schreef:
jm074 schreef:Het is zo dat alle stelsels die zich nu op meer dan 1,31.10^26 m (13,85 miljard lichtjaar) van ons bevinden, zich verwijderen met een snelheid groter dan de lichtsnelheid.

Dat lijkt verdacht veel op de leeftijd van het Heelal. Hoe kom je aan die waarde? Is dat toeval, of houdt het één met het ander verband?

Heel eenvoudig door de lichtsnelheid (299.792.458 m/s) te delen door de huidige waarde van de Hubble-constante. Dat de numerieke waarde van die afstand zo erg lijkt op de numerieke waarde van de ouderdom van het heelal lijkt mij ook eigenaardig en een verklaring ervoor heb ik niet. Het één kan wel verband hebben met het ander, maar ik ken dat (nog)niet.
jm074 schreef:Het verhaal over die voortplantingssnelheid is voor een volgende keer

Waarom wachten?

Op die vraag heeft Blueflame een overtuigend antwoord gegeven. Ik tracht mij trouwens steeds te beperken tot een A4-tje, ook om de lezers wat te ontzien. :wink:

Groetjes,
jm074
"We are students of nature, and we adjust our concepts as the lessons continue"
P.James Peebles
jm074
 
Berichten: 800
Geregistreerd: 21 okt 2006, 16:00

Berichtdoor jm074 » 03 okt 2008, 18:01

Dat licht zich in alle richtingen met constante snelheid voortplant was de teleurstellende vaststelling waartoe Albert Michelson (1852-1931) moest besluiten na zijn poging om de snelheid te meten waarmee onze aarde zich door de verondersteld stilstaande ether beweegt. Wat hij verwachtte was dat de lichtsnelheid in de richting van onze beweging rond de zon zou verschillen van de snelheid loodrecht daarop. Dat moest een verschil opleveren van ongeveer 30 km/s, maar hij constateerde een nuleffect in plaats van een verschil in de lichtsnelheid tengevolge van de veronderstelde "etherwind". Meer hoeven wij, vooralsnog, over dat experiment niet te weten, dat meerdere keren werd herhaald o.a. door Michelson en Morley en steeds met hetzelfde resultaat.

De beroering, die dit onverwachte resultaat veroorzaakte in de fysicawereld, zette andere wetenschappers aan het denken, want zij wilden kost wat kost de succesvolle elektromagnetische lichttheorie van hun voorgangers in ere houden. Hoofdrolspelers hierin waren George Fitzgerald (1851-1901) die in 1889 en Hendrik, Antoon Lorentz (1853-1928) in 1892-93, onafhankelijk van elkaar, een verklaring vooropstelden die de elektromagnetische golftheorie, waarop het experiment van Michelson steunde, veilig stelde en zijn contradictie met het nuleffect, ophieven door de hypothese van een lengteverandering in de armen van de interferometer tengevolge van zijn beweging door de stilstaande ether. Lorentz stelde op grond van die hypothese zijn beroemde Lorentz-transformaties op: de lengtecontractie en de tijddilatatie. Wij hoeven ook daarover niet ons hoofd te breken. Het is voldoende te onthouden dat dit de weg opende voor de Speciale Relativiteitstheorie van Albert Einstein.

Maar wat Michelson, Lorentz, Einstein en tijdgenoten niet wisten, is dat onze aarde, samen met de zon, rond het centrum van de Melkweg en, nog belangrijker, samen met onze Melkweg weg van het massacentrum van ons heelal, beweegt. In feite zet dat de Lorentztransformaties en de SRT niet op losse schroeven, maar die 30 km/s was, in elk geval, al een foutief uitgangspunt. Blijft de vraag of er geen eenvoudiger verklaring is voor het feit dat de lichtsnelheid blijkt onafhankelijk te zijn van de bewegingstoestand van lichtbron en waarnemer. Ik ga pogen, uitgaande van een andere hypothese, een mogelijk alternatief voor te stellen. Daarvoor zal ik een beroep doen op ons verbeeldingsvermogen.

Beelden wij ons een rekbaar lint in (= een heelal met één dimensie; enkel de lengterichting van het lint is van belang) dat aan één uiteinde (= het massacentrum van het heelal) zit vastgeklemd . Op dit lint zitten, op gelijke intervals (= golflengte) kevertjes (= fotonen: deeltjes of golftoppen) die alle met een constante snelheid c (= lichtsnelheid) voortbewegen in de richting van het losse uiteinde van het lint. Als aan dat uiteinde niet wordt getrokken is er analogie met een statisch heelal en daarmee heeft een waarnemer, die zich op het lint bevindt, geen probleem zolang hij niet t.o. daarvan in beweging is. Alle kevertjes lopen hem dan voorbij met snelheid c omdat zijn referentiestelsel samenvalt met het stelsel verbonden aan het lint.

Gaat die waarnemer over het lint voor- of achteruit lopen, met snelheid v, en zou hij dan constateren dat de kevertjes ook in zijn referentiestelsel, voorbij komen met snelheid c, dan zit hij met hetzelfde probleem als Michelson en kunnen alleen transfomatieformules, zoals die van Lorentz een verklaring bieden. Maar wees gerust! Kevertjes die naar hem toe of die van hem weg bewegen zullen door hem worden waargenomen met verschillende snelheden. Waarom bewogen de fotonen in de proef van Michelson en Morley dan altijd met constante snelheid? De Lorentz-transformaties zijn een nogal gekunsteld antwoord op die vraag. Lengtecontractie en tijddilatatie worden experimenteel door geen enkele waarneming ontegensprekelijk bevestigd. Is een alternatief antwoord denkbaar? Dat is het onderwerp voor een eerste potje flink dóórdenken. Het tweede zal gaan over het gedrag van onze kevertjes als het lint wordt uitgerekt.

Groetjes,
jm074
"We are students of nature, and we adjust our concepts as the lessons continue"
P.James Peebles
jm074
 
Berichten: 800
Geregistreerd: 21 okt 2006, 16:00

Berichtdoor gjb » 04 okt 2008, 01:08

jm074 schreef:Lengtecontractie en tijddilatatie worden experimenteel door geen enkele waarneming ontegensprekelijk bevestigd.


??? Wat is er mis met de experimenten van Ives & Stilwell, 1938, 1941, Rossi & Hall, 1941, Hafele & Keating, 1972, Bailey et al., 1977, Hasselkamp et al., 1979, Laub et al., 1995?

Dit is een behoorlijk sterke uitspraak, graag bronvermeldingen.
Beste groeten, -gjb-
gjb
 
Berichten: 88
Geregistreerd: 22 aug 2008, 13:30

Berichtdoor jm074 » 04 okt 2008, 15:56

gjb schreef:
jm074 schreef:Lengtecontractie en tijddilatatie worden experimenteel door geen enkele waarneming ontegensprekelijk bevestigd.


??? Wat is er mis met de experimenten van Ives & Stilwell, 1938, 1941, Rossi & Hall, 1941, Hafele & Keating, 1972, Bailey et al., 1977, Hasselkamp et al., 1979, Laub et al., 1995?

Dit is een behoorlijk sterke uitspraak, graag bronvermeldingen.


Dit is een uiterst delikaat onderwerp, waar fictie en werkelijkheid niet altijd duidelijk uit mekaar te houden zijn. Ik acht mij niet bevoegd daar afdoende uitspraken over te doen, maar wat het experiment van Ives & Stillwell betreft kan ik verwijzen naar:
http://www.mrelativity.net/MBriefs/Ives ... wed_P1.htm

Verder noteer ik dat de "lengtecontractie" niet experimenteel kan worden waargenomen en dat de "kinetische tijddilatatie", waar het hier over gaat, wederzijds is. Ze is dus niet meer dan een "schijnbare dilatatie".

Ik houd het probleem in beraad voor verdere discussie, maar zou liefst eerst mijn betoog afwerken en hoop dat je dat even kritisch blijft volgen.
Intussen zoek ik toch nog enkele bronnen op.

Groetjes,
jm074
"We are students of nature, and we adjust our concepts as the lessons continue"
P.James Peebles
jm074
 
Berichten: 800
Geregistreerd: 21 okt 2006, 16:00

Berichtdoor gjb » 04 okt 2008, 17:34

jm074 schreef:wat het experiment van Ives & Stillwell betreft kan ik verwijzen naar:
http://www.mrelativity.net/MBriefs/Ives ... wed_P1.htm


Dit is niet gepubliceerd in een peer-reviewed tijdschrift. Er zijn inderdaad vrij veel kritieken terug te vinden op de artikels die ik vermeldde, maar meestal uit schimmige bronnen.

jm074 schreef:Ik houd het probleem in beraad voor verdere discussie, maar zou liefst eerst mijn betoog afwerken


By all means.
Beste groeten, -gjb-
gjb
 
Berichten: 88
Geregistreerd: 22 aug 2008, 13:30

Berichtdoor jm074 » 09 okt 2008, 18:08

gjb schreef:
jm074 schreef:wat het experiment van Ives & Stillwell betreft kan ik verwijzen naar:
http://www.mrelativity.net/MBriefs/Ives ... wed_P1.htm

Dit is niet gepubliceerd in een peer-reviewed tijdschrift. Er zijn inderdaad vrij veel kritieken terug te vinden op de artikels die ik vermeldde, maar meestal uit schimmige bronnen.


In dit verband toch een opmerking! Publicatie in een peer-reviewed tijdschrift biedt de garantie dat een tekst geen uitspraken bevat die strijdig zijn met de gangbare wetenschappelijke inzichten. Toch waren het dikwijls ook controversiële denkpistes die de wetenschap een stap vooruit hielpen. Schimmige bronnen kunnen waardevolle informatie bevatten, vooral als ze conclusies uit ingewikkelde experimenten kritisch benaderen.

Maar terzake nu! Ik herhaal de vraag of een alternatieve verklaring voor het nuleffect in de proef van Michelson en Morley mogelijk is. Om daarop een positief antwoord te kunnen geven eerst enkele, schijnbaar banale, maar belangrijke vaststellingen.
- Het heelal dat wij nu trachten te begrijpen ziet er heel anders uit dan wat Michelson en tijdgenoten voor ogen hadden. Het is om te beginnen veel groter en in plaats van een statisch is het een dynamisch systeem waar alles in beweging is om onvermijdelijke contractie door gravitatie tegen te gaan.
- Het heelal is een materieel stelsel waarop geen uitwendige kracht kan inwerken.
- Zoals elk materieel stelsel heeft het heelal een massacentrum.
- Dit massacentrum zou een ideaal nulpunt zijn voor een universeel referentiestelsel, als wij zouden weten waar het zich bevindt.
- Absoluut lege ruimte bestaat niet. Ze wordt volledig opgevuld door krachtvelden.
- De objecten, die het heelal 'bevolken', creëren door hun massa's, het universeel gravitatieveld.
- De potentiaal van dat veld is in elk punt de resultante van de zwaartekrachten uitgeoefend door alle individuele objecten.
- Het universeel gravitatieveld is niet statisch, maar verandert voortdurend op lokaal vlak, omdat alle objecten hun individuele gravitatievelden met zich meevoeren.

Even herhalen nu.
De tijdgenoten van Michelson dachten dat licht zich met constante snelheid voortplant door de ether, een middenstof die de gehele wereldruimte moest doordringen. Aan het aardoppervlak zou, door de beweging van de aarde rond de zon - deze werd verondersteld niet in beweging te zijn t.o.v. de ether - een etherwind ontstaan met het gevolg dat lichtgolven zich in verschillende richtingen met verschillende snelheden zouden voortplanten t.o.v. de aarde en de interferometer waarmee Michelson de snelheid van de aarde door de stilstaande ether wilde meten. Noppes! Bestond de ether dan niet of werd hij door de aarde 'meegesleept'? Dat laatste was niet zo'n dwaas idee maar werd door de wetenschappers toch maar aan de kant geschoven, omdat zij voor die 'meesleep' geen fysische verklaring konden bedenken.

Nu wij!
Laten wij die denkbeeldige ether vervangen door het concrete gravitatieveld. Wij weten dat materie en straling interageren. Straling oefent druk uit op materie en materie doet straling afbuigen. Als een 'lichtdeeltje' zich door een gravitatieveld beweegt, kan het daar golven veroorzaken die wij als 'licht' waarnemen. Conclusie: Een waarnemer die zich op een door de ruimte bewegend object bevindt zal altijd de snelheid van het licht meten zoals het zich voortplant door het gravitatieveld van dat object, d.w.z.: met constante snelheid c.

Bovenstaande bedenkingen berusten op de hypothese ether = gravitatieveld. :idea: Ik ben niet zeker dat ze met de werkelijkheid overeenstemt. Ze lijkt mij wel gemakkelijker aanvaardbaar dan de fysische lengtecontractie verondersteld door Lorentz. Ik onderwerp ze hier aan de kritische bedenkingen van lezers die beter thuis zijn in de fysica dan ik. Mocht ik het bij het verkeerde eind hebben, dan troost ik mij met: Se non è vero, è ben trovato. Of niet soms? :wink:

Groetjes,
jm074
"We are students of nature, and we adjust our concepts as the lessons continue"
P.James Peebles
jm074
 
Berichten: 800
Geregistreerd: 21 okt 2006, 16:00

Berichtdoor gjb » 09 okt 2008, 18:15

jm074 schreef:In dit verband toch een opmerking! Publicatie in een peer-reviewed tijdschrift biedt de garantie dat een tekst geen uitspraken bevat die strijdig zijn met de gangbare wetenschappelijke inzichten. Toch waren het dikwijls ook controversiële denkpistes die de wetenschap een stap vooruit hielpen. Schimmige bronnen kunnen waardevolle informatie bevatten, vooral als ze conclusies uit ingewikkelde experimenten kritisch benaderen.


Sorry, dit accepteer ik niet. Het zet de deur naar pseudowetenschap wagenwijd open.
Beste groeten, -gjb-
gjb
 
Berichten: 88
Geregistreerd: 22 aug 2008, 13:30

Berichtdoor jm074 » 11 okt 2008, 17:55

gjb schreef:
jm074 schreef:In dit verband toch een opmerking! Publicatie in een peer-reviewed tijdschrift biedt de garantie dat een tekst geen uitspraken bevat die strijdig zijn met de gangbare wetenschappelijke inzichten. Toch waren het dikwijls ook controversiële denkpistes die de wetenschap een stap vooruit hielpen. Schimmige bronnen kunnen waardevolle informatie bevatten, vooral als ze conclusies uit ingewikkelde experimenten kritisch benaderen.


Sorry, dit accepteer ik niet. Het zet de deur naar pseudowetenschap wagenwijd open.


gjb,

Wat bedoel je precies met dit accepteer ik niet? Geldt het de ganse post, de ganse quote, of enkel de laatste twee zinnen van de quote?

Groetjes,
jm074
"We are students of nature, and we adjust our concepts as the lessons continue"
P.James Peebles
jm074
 
Berichten: 800
Geregistreerd: 21 okt 2006, 16:00

Berichtdoor gjb » 12 okt 2008, 02:59

jm074 schreef:
gjb schreef:
jm074 schreef:In dit verband toch een opmerking! Publicatie in een peer-reviewed tijdschrift biedt de garantie dat een tekst geen uitspraken bevat die strijdig zijn met de gangbare wetenschappelijke inzichten. Toch waren het dikwijls ook controversiële denkpistes die de wetenschap een stap vooruit hielpen. Schimmige bronnen kunnen waardevolle informatie bevatten, vooral als ze conclusies uit ingewikkelde experimenten kritisch benaderen.


Sorry, dit accepteer ik niet. Het zet de deur naar pseudowetenschap wagenwijd open.


gjb,

Wat bedoel je precies met dit accepteer ik niet? Geldt het de ganse post, de ganse quote, of enkel de laatste twee zinnen van de quote?

Groetjes,
jm074


Ives & Stilwell publiceerden hun experimentele resultaten in 1938, 1941 in Journal of the Optical Society of America. Daar tegenover wordt een tekstje geplaatst van ene Joseph A. Rybczyk dat deze resultaten in twijfel trekt.

Als ik dan even ga kijken wat onze vriend Rybczyk verder nog zoal op zijn naam heeft, dan vind ik naast een aantal patenten waaronder eentje voor een 'man-powered propulsion device' verder een aantal "ongepubliceerde werken" met veelzeggende titels als 'Proof That Special Relativity is Invalid', 'Millennium Relativity and the Reciprocal Factor–Proof that Matter and Energy Are Not Interchangeable', 'The Growing Evidence that Einstein was Wrong'. De man heeft dus geen enkele wetenschappelijke publicatie op zijn naam.

Ik vind het niet acceptabel dat hier, op een sceptische site, een Groot Verhaal verteld wordt over kosmologie, zonder dat de minste moeite gedaan wordt de betrouwbaarheid van bronmateriaal na te gaan.

Het is een illusie te denken dat Rybczykesque figuren de wetenschap vooruit zullen helpen door hun "controversiële" schrijfsels. Het is inderdaad mogelijk dat een goed idee niet meteen aanvaard wordt voor publicatie, maar na verloop van (korte) tijd gebeurt dit toch, tenminste als het ook echt een Goed Idee is. Het miskende genie is ongelooflijk zeldzaam, zeker in belangrijke disciplines zoals kosmologie.
Beste groeten, -gjb-
gjb
 
Berichten: 88
Geregistreerd: 22 aug 2008, 13:30

Berichtdoor jm074 » 15 okt 2008, 18:08

Laat ik beginnen met te herhalen wat ik eerder schreef:
Lengtecontractie en tijddilatatie worden experimenteel door geen enkele waarneming ontegensprekelijk bevestigd.
Ik benadrukte daarin ontegensprekelijk en noteer dat Rybczeyk niet de enige is die vraagtekens plaatst bij de relativiteitstheorie en dat het niet per se pseudo-wetenschappers zijn die dat doen. Een oordeel vellen over wie het bij het rechte eind heeft ligt boven mijn vermogens. Ik constateer enkel dat er wel degelijk een controverse is.

Nog enkele bedenkingen:
Lengtecontractie kán niet experimenteel worden bevestigd. Bij tijddilatatie moet een onderscheid worden gemaakt tussen kinetische en gravitationele dilatatie. In het experiment van Hafele & Keating (1972) werden identieke atoomklokken, per vliegtuig, in tegengestelde richting rond de aarde gevlogen en achteraf vergeleken met een klok die in het lab bleef. Er werd inderdaad een verschil in tijd vastgesteld, een gedeelte te wijten aan de invloed van gravitatie en een gedeelte dat zou kunnen te wijten zijn aan de snelheid van de vliegtuigen. Maar wat dat laatste betreft wil ik toch opmerken dat de rondgevlogen klokken aan heel wat krachten werden onderworpen bij het opstijgen en dalen en ik weet niet of de gevolgen daarvan alle konden worden uitgezuiverd. Ik betwijfel dan ook of zuiver kinetische tijddilatatie een waarneembaar fysisch verschijnsel is.

Gravitationele tijddilatatie wordt waargenomen als klokken worden onderworpen aan een verschil in zwaartekracht, bvb. één op begane grond en een tweede boven op een toren. Maar dan rijst de vraag welke betekenis wij aan dat tijdsverschil moeten hechten. Is het werkelijk de tijd die wordt uitgerekt of is het enkel onze tijdmeting die in het gedrang komt als wij de klokken in verschillende condities plaatsen? Ik zou dit zeer scherp kunnen stellen door er op te wijzen dat als wij een slingeruurwerk ongewijzigd op de maan zouden plaatsen, de eigenfrequentie er 2,44 maal kleiner zou zijn dan op aarde. Dat betekent niet noodzakelijk dat een astronaut er 2,44 maal minder snel oud wordt. Er is een verschil tussen ware tijd en gemeten tijd.

gjb schreef:
Ives & Stilwell publiceerden hun experimentele resultaten in 1938, 1941 in Journal of the Optical Society of America. Daar tegenover wordt een tekstje geplaatst van ene Joseph A. Rybczyk dat deze resultaten in twijfel trekt.

Wel dat tekstje beslaat negen A4 bladzijden hoofdzakelijk gevuld met wiskundige formules en schema's. Ik beweer niet dat Rybczyk gelijk heeft, maar sluit dat ook niet uit omdat het tekstje niet werd gepubliceerd in een peer-reviewed tijdschrift.

Ik vind het niet acceptabel dat hier, op een sceptische site, een Groot Verhaal verteld wordt over kosmologie, zonder dat de minste moeite gedaan wordt de betrouwbaarheid van bronmateriaal na te gaan.

Geen commentaar! :roll:

Groetjes,
jm074
"We are students of nature, and we adjust our concepts as the lessons continue"
P.James Peebles
jm074
 
Berichten: 800
Geregistreerd: 21 okt 2006, 16:00

Berichtdoor Digit » 15 okt 2008, 20:38

Jm074 schreef:Ik zou dit zeer scherp kunnen stellen door er op te wijzen dat als wij een slingeruurwerk ongewijzigd op de maan zouden plaatsen, de eigenfrequentie er 2,44 maal kleiner zou zijn dan op aarde. Dat betekent niet noodzakelijk dat een astronaut er 2,44 maal minder snel oud wordt. Er is een verschil tussen ware tijd en gemeten tijd.


Dit is een drogredenering. De langere slingerperiode op de maan is een gevolg van de geringere zwaartekracht. T° = 2 * Pi * Sqrt( L / g) !

Dit heeft niets met de tijd of de tijdsmeting te maken, wél met het verkeerd interpreteren van de formule.

Groetjes,

Digit
Wat is, IS !
Avatar gebruiker
Digit
 
Berichten: 8724
Geregistreerd: 09 nov 2006, 09:03

Berichtdoor gjb » 16 okt 2008, 00:38

jm074 schreef:Laat ik beginnen met te herhalen wat ik eerder schreef:
Lengtecontractie
Ives & Stilwell publiceerden hun experimentele resultaten in 1938, 1941 in Journal of the Optical Society of America. Daar tegenover wordt een tekstje geplaatst van ene Joseph A. Rybczyk dat deze resultaten in twijfel trekt.

Wel dat tekstje beslaat negen A4 bladzijden hoofdzakelijk gevuld met wiskundige formules en schema's. Ik beweer niet dat Rybczyk gelijk heeft, maar sluit dat ook niet uit omdat het tekstje niet werd gepubliceerd in een peer-reviewed tijdschrift.


En je hebt die negen A4 pagina's gelezen en geverifieerd?

Vergis ik me als ik zeg dat wetenschap niet uw beroep is?
Beste groeten, -gjb-
gjb
 
Berichten: 88
Geregistreerd: 22 aug 2008, 13:30

Berichtdoor jm074 » 16 okt 2008, 12:28

Digit schreef:Dit is een drogredenering. De langere slingerperiode op de maan is een gevolg van de geringere zwaartekracht. T° = 2 * Pi * Sqrt( L / g) !


Digit,

Dat is precies wat ik wilde benadrukken: dat onze tijdmeting afhankelijk is van het zwaartekrachtveld op de plaats van meting en dat wij daaruit niet mogen besluiten dat "dilatatie" een fysisch verschijnsel is van de ware tijd, maar enkel van de gemeten tijd.

Groetjes,
jm074
"We are students of nature, and we adjust our concepts as the lessons continue"
P.James Peebles
jm074
 
Berichten: 800
Geregistreerd: 21 okt 2006, 16:00

Berichtdoor jm074 » 16 okt 2008, 12:51

gjb schreef:
En je hebt die negen A4 pagina's gelezen en geverifieerd?

Neen, enkel het "abstract" en ik vermoed dat dat ook voor jou geldt want dat verklaart het smalend "tekstje".
Vergis ik me als ik zeg dat wetenschap niet uw beroep is?

Neen, en ik vermoed wel dat van U. Daarom verwacht ik dan ook dat jij die negen A4 pagina's leest en verifieert en aangeeft waar de fout zit alvorens er een uitspraak over te doen, want ik ben ook niet zeker van het gelijk van Rybczyk.

Groetjes,
jm074
"We are students of nature, and we adjust our concepts as the lessons continue"
P.James Peebles
jm074
 
Berichten: 800
Geregistreerd: 21 okt 2006, 16:00

Berichtdoor gjb » 16 okt 2008, 15:38

jm074 schreef:
gjb schreef:En je hebt die negen A4 pagina's gelezen en geverifieerd?

Neen, enkel het "abstract" en ik vermoed dat dat ook voor jou geldt want dat verklaart het smalend "tekstje".


Zeer juist, ik heb enkel het abstract gelezen. Er is wel een fundamenteel verschil: ik pretendeer niet de resultaten van Rybczyk te gebruiken voor een exposé over kosmologie.

jm074 schreef:
Vergis ik me als ik zeg dat wetenschap niet uw beroep is?

Neen, en ik vermoed wel dat van U. Daarom verwacht ik dan ook dat jij die negen A4 pagina's leest en verifieert en aangeeft waar de fout zit alvorens er een uitspraak over te doen, want ik ben ook niet zeker van het gelijk van Rybczyk.


Geen haar op mijn hoofd die eraan denkt: kosmologie is mijn vakgebied niet. Het is al moeilijk (en tijdrovend) genoeg werk in mijn eigen vakgebied te beoordelen voor publicatie in tijdschriften of presentatie op conferenties. Ik heb noch de pretentie, noch de tijd eventjes de fouten uit Rybczyks werk te gaan halen.

Nu komt eigenlijk het essentiële punt: je kan me nu verwijten dat ik geen vertrouwen heb in Rybczyk ondanks het feit dat ik niet de moeite genomen heb zijn werk te verifiëren. Het punt is dat ik dat best niet doe over een onderwerp buiten mijn eigen domein. Daarvoor stel ik vertrouwen in de specialisten die er dagelijks mee bezig zijn. Blijkbaar vinden die specialisten Rybczyks werk niet eens interessant genoeg voor een derderangstijdschrift of workshop, en dat zegt mij genoeg.

Het komt erop neer dat als ik uitspraken doe over een domein dat niet het mijne is, ik me hou aan degelijke bronnen, i.e., werk dat verschenen is in goede wetenschappelijke tijdschriften of gepresenteerd is op degelijke conferenties. Als ik me buiten de begane paden waag door werk te citeren dat niet aan die voorwaarden voldoet, dan geef ik steeds heel duidelijk aan dat dit werk niet geverifieerd is door specialisten en dus niet als betrouwbaar beschouwd kan worden.

Wat methodologisch niet correct is, is niet-geverifieerd werk op gelijke voet plaatsen met betrouwbaar materiaal, zonder daar een duidelijke waarschuwing bij te plaatsen. Dat laatste is precies waar het volgens mij in jou post misloopt. Als je een betoog houdt op basis van informatie uit dubieuze bronnen, dan ligt pseudowetenschap likkebaardend op de loer.

Het is uiteraard als leek niet altijd gemakkelijk een onderscheid te maken tussen betrouwbare en minder betrouwbaar materiaal, dat kan men niemand verwijten. Het wordt wel problematisch wanneer men niet beseft dat dit niet gemakkelijk is, en dus alle bronnen over dezelfde kam scheert.
Beste groeten, -gjb-
gjb
 
Berichten: 88
Geregistreerd: 22 aug 2008, 13:30

Berichtdoor Digit » 16 okt 2008, 16:38

jm074 schreef:
Digit schreef:Dit is een drogredenering. De langere slingerperiode op de maan is een gevolg van de geringere zwaartekracht. T° = 2 * Pi * Sqrt( L / g) !


Digit,

Dat is precies wat ik wilde benadrukken: dat onze tijdmeting afhankelijk is van het zwaartekrachtveld op de plaats van meting en dat wij daaruit niet mogen besluiten dat "dilatatie" een fysisch verschijnsel is van de ware tijd, maar enkel van de gemeten tijd.

Groetjes,
jm074


Dat maakt de drogredenering alleen nog maar erger : als je de slingerformule correct toepast voor de maan (met de maan-gravitatie), dan krijg je de correcte slingerperiode ! De dilatatie zit daar voor niets tussen !

Als je op de maan de tijd meet met een klok die niet gravitatie-afhankelijk is, dan krijg je een resultaat dat niet verschilt van op de aarde, op de uiterst minieme dilatatie na.

Jouw slingeruurwerk is dus ab-so-luut irrelevant voor de dilatatie !

Groetjes,

Digit
Wat is, IS !
Avatar gebruiker
Digit
 
Berichten: 8724
Geregistreerd: 09 nov 2006, 09:03

Berichtdoor jm074 » 16 okt 2008, 17:22

Digit schreef:
(...): als je de slingerformule correct toepast voor de maan (met de maan-gravitatie), dan krijg je de correcte slingerperiode ! De dilatatie zit daar voor niets tussen !

Daar stem ik volledig mee in.
Als je op de maan de tijd meet met een klok die niet gravitatie-afhankelijk is, dan krijg je een resultaat dat niet verschilt van op de aarde, op de uiterst minieme dilatatie na.

Wat ik mij afvraag is of een atoomklok ook niet gravitatie-afhankelijk is. Wat veroorzaakt anders die uiterst minieme "dilatatie"? Is het niet zo dat atoomklokken enkel op zeeniveau op aarde de "juiste tijd" aangeven?

Groetjes,
jm074
"We are students of nature, and we adjust our concepts as the lessons continue"
P.James Peebles
jm074
 
Berichten: 800
Geregistreerd: 21 okt 2006, 16:00

Berichtdoor Digit » 16 okt 2008, 17:41

http://nl.wikipedia.org/wiki/Atoomklok

Zie de GPS-satellieten.

Groetjes,

Digit
Wat is, IS !
Avatar gebruiker
Digit
 
Berichten: 8724
Geregistreerd: 09 nov 2006, 09:03

Berichtdoor jm074 » 20 okt 2008, 12:01

De thema's Rybczyk en atoomklokken zijn, wat mij betreft, niet afgesloten, maar eerst wil ik ingaan op enkele quotes uit de recente bijdrage van Blue.

Blueflame schreef:
Dat wil dan weer zeggen dat het verwijderen van sterrenstelsels kan versnellen of kan vertragen. Dus als je het hebt over de snelheid van expansie, hebben we het dan over de snelheid van expansie op het moment van de licht emissie of over de snelheid nu of iets daartussen ? Je kan dat niet direct meten. (...) Naargelang de mate van verschuiving kan de snelheid dan berekend worden. (...)

De vraag is maar: welke snelheid berekend kan worden vermits die tijdafhankelijk is. De zgn. hubbleconstante is de huidige expansiesnelheid berekend uit de roodverschuiving in het licht van dichtbijgelegen sterrenstelsels. Omdat de versnelling of vertraging van de expansiesnelheid uiterst traag verloopt is de invloed van de lichttijd voor die stelsels verwaarloosbaar klein. Dat het licht van sommige dichtbijgelegen stelsels, zoals de Andromeda-nevel, in plaats van roodverschuiving, blauwverschuiving vertonen is gedeeltelijk te wijten aan de eigen beweging van dat stelsel in onze richting en ook aan onze eigen beweging in óns Melkwegstelsel.

De roodverschuiving in het licht van verder afgelegen galaxieën is een ander paar mouwen. Daar kan de lichttijd een grote rol spelen omdat de expansiesnelheid op het ogenblik van emissie en op het ogenblik van waarneming beduidend kunnen verschillen. Wij kunnen alvast stellen dat de gemeten verschuiving rechtevenredig is met de vergroting van de afstand tussen plaats van emissie en plaats van waarneming, maar stuiten dan onmiddellijk op de moeilijkheid van het meten van grote afstanden in de ruimte. De astronomen bedachten daarvoor verschillende methodes, afhankelijk van de te meten afstand. Voor ver afgelegen stelsels blijft er, als enige mogelijkheid, de waarneming van novae en in het bijzonder die van Type Ia supernovae. Dat leidt ons tot volgende quote.

Hoe verder ,hoe 'flauwer/zwakker' het licht. Het voordeel van afstand en snelheid te bepalen met roodverschuiving en helderheid is dat deze waarden gekend zijn. (...)
Volgens deze berekeningen is het zo dat het heelal expandeert, en wel steeds sneller en sneller.

De aanname dat de uitdijing van het heelal zou versnellen, in plaats van te vertragen door de remmende werking van de zwaartekracht, steunt op een discrepantie tussen de afstand, van verre sterrenstelsels, bepaald op basis van de schijnbare lichtkracht van Type Ia SN en de afstand berekend uit de roodverschuiving van hun elektromagnetische straling. Waarneming van de lichtkracht duidt op grotere afstanden dan de berekening op basis van de roodverschuiving aangeeft. Hoe leidt deze vaststelling tot de conclusie dat de uitdijing versnelt in plaats van vertraagt?

Veronderstellen wij dat de hubbleconstante een constante waarde H zou hebben, dan zou een sterrrenstelsel, waarvoor uit de roodverschuiving een vluchtsnelheid v werd berekend, zich op een afstand S = v / H bevinden. De afstand afgeleid uit de lichtkracht zou deze waarde van de afstand bevestigen.
Als de uitdijing vertraagt dan moet de roodverschuiving van ver afgelegen sterrenstelsels, door de grotere gemiddelde expansiesnelheid, een kleinere afstand opleveren dan de afstand berekend op basis van de huidige waarde van H. Dat wordt tegengesproken door de afstand bepaald op basis van de lichtkracht van de Type Ia SN die in verre stelsels voorkomen. Voortgaande op waarnemingen van die SN besluiten de astronomen dus dat de uitdijing versnelt in plaats van vertraagt. Hebben ze gelijk? Dat hangt ervan af of de formule van de relativiteitstheorie voor de berekening van de relatieve snelheid tussen ons en een extragallactish stelsel uit de roodverschuiving juist is. Welke snelheid wordt daarmee berekend in een uitdijend heelal? Dit is een zeer heikele kwestie die enkel door een zorgvuldige analyse haar beslag kan krijgen. Het laatste woord is, wat dat betreft, nog niet gezegd door de wetenschappers.

Groetjes,
jm074
"We are students of nature, and we adjust our concepts as the lessons continue"
P.James Peebles
jm074
 
Berichten: 800
Geregistreerd: 21 okt 2006, 16:00

Berichtdoor jm074 » 08 nov 2008, 18:54

In vorige bijdrage werd ingegaan op een gedeelte van de uitgesponnen post van Blueflame: (viewtopic.php?p=30753#30753) Die bood echter zoveel aanknopingspunten voor commentaar en aanvullende informatie dat het onmogelijk was alles af te handelen op één A4-tje. Ik besef dat ik met dit vervolg daar nog niet in zal slagen.
Blueflame schreef:
(...)de wet van Hubble(...) Merk ook op dat volgens deze wet het heelal niet aan een uniforme snelheid expandeert.

Zo uitgedrukt kan dit tot verwarring leiden. De wet van Hubble zegt dat het heelal uitdijt met een constante expansiesnelheid, de Hubble-constante. Die is nochtans tijdafhankelijk en had vroeger een andere waarde, groter als de uitdijing van het heelal wordt afgeremd door de zwaartekracht, kleiner als die wordt versneld door een mysterieuze donkere energie. Bij mijn weten wordt algemeen aangenomen dat de huidige waarde van H in de buurt ligt van 70 km/s/Mpc, ongeveer 2,3.10^-18 m/s/m, maar sinds Hubble voor het eerst H berekende werd die waarde meerdere keren aangepast. Dat kan zorgen voor problemen omdat wetenschappelijke publicaties, die tegenwoordig nog worden geraadpleegd, stilzwijgend uitgingen van cijfers die soms 10-tallen km/s afweken van de 70 km/s die nu algemeen wordt gebruikt in de berekeningen. De vroegere onzekerheid over de waarde van H is te wijten aan de moeilijkheid om de juiste afstand te bepalen tot veraf gelegen objecten in de ruimte. Terug naar de quote van Blue!
Het is zo dat door toepassing van de wet van Hubble de vluchtsnelheden van extra-gallactische stelsels niet uniform zijn, maar evenredig met de afstand tussen de vroegere plaats van emissie van hun licht en de plaats waar wij dat licht nu waarnemen. Conclusie: het heelal expandeert op elk ogenblik aan een uniforme expansiesnelheid (Hubble-constante), maar de snelheden waarmee extra-gallactische stelsels zich van ons verwijderen zijn niet uniform.
Het verwijderen van sterrenstelsels op een grote afstand van ons moet gezien worden door de bril van de algemene relativiteitstheorie ( ART ) omdat de ruimte zelf expandeert. (...) De roodverschuiving door dopplershift en de kosmologische dopplershift hebben een andere formule. De ene heeft betrekking op de SRT en de tweede op de ART.

De kosmologische roodverschuiving heeft eigenlijk niets te maken met dopplershift. Bij mijn weten wordt tegenwoordig algemeen aangenomen dat, door de uitdijing, de straal van het heelal, afstanden tussen clusters van sterrenstelsels, S, en de golflengten van elektromagnetische straling, λ, worden uitgerekt in evenredigheid met éénzelfde schaalfactor a. Dat leidt tot volgende gelijkheden voor de kosmische roodverschuiving:
z = [a(nu) – a(toen)] / a(toen) = [S(n) – S(t)] / S(t) = [λ(n) – λ(t)] / λ(t)
Daarin duidt (n) de huidige waarde aan van de betrokken grootheid, (t) de waarde op het ogenblik dat de straling werd uitgezonden.

Volgens mij hoeft men voor de kosmologische roodverschuiving geen beroep te doen op de ART.
In dit verband verwijs ik naar mijn vroegere post: (viewtopic.php?p=31637#31637). Daarin werd de ruimte vergeleken met een rekbaar lint met één los uiteinde waarover kevertjes (fotonen) zich met constante snelheid c voortbewegen in de richting van het losse uiteinde. Wordt door trekken aan dat losse uiteinde het lint (de ruimte) uitgerekt, dan heeft dat geen invloed op de snelheid van de kevertjes t.o.v. het lint; die snelheid blijft gelijk aan c. De afstand tussen de kevertjes (golflengte) wordt echter langer, waardoor ze meer tijd nodig zullen hebben om een waarnemer te bereiken die t.o.v. het lint niet in beweging is, maar wel deel heeft aan de uitdijing ervan.

Omwille van de samenhang werden hier dingen herhaald die vroeger ook reeds aan bod kwamen en daardoor is de grens van mijn A4-tje weer in zicht. Misschien waren die herhalingen overbodig en heb ik het geheugen van de lezers onderschat. Mijn excuses daarvoor! Ik had nog graag aangegeven hoe de formule voor de kosmologische uitdijing het mogelijk maakt,met eenvoudige rekenkunde, uit de waarde van z de gemiddelde snelheid te berekenen waarmee wij ons verwijderen van een plaats van emissie, maar dat zal dan voor een volgende post zijn, samen met het einde van mijn commentaar op de bijdrage van Blue.

Groetjes,
jm074
"We are students of nature, and we adjust our concepts as the lessons continue"
P.James Peebles
jm074
 
Berichten: 800
Geregistreerd: 21 okt 2006, 16:00

Berichtdoor jm074 » 15 nov 2008, 13:53

In de laatste zin van mijn vorige bijdrage voorzag ik te kunnen aangeven hoe uit de formule voor de kosmologische uitdijing de precieze snelheid, waarmee wij ons verwijderen van een plaats van emissie zou kunnen worden berekend. Dat blijkt minder eenvoudig dan eerst gedacht en vereist nog denkwerk om min of meer zeker te zijn van geen kosmologische kemels te schieten.
Dan maar de prioriteit verleggen naar het laatste gedeelte van Blue's bijdrage.
Blueflame schreef:
(...)sterrenstelsels met een roodverschuiving van 1,5 ( dat betekent sterrenstelsels waarvan het licht een golflengte heeft die 150% langer is dan de referentie ) verwijderen zich van ons met een snelheid die groter is dan de lichtsnelheid.

Om alle verwarring te vermijden: een roodverschuiving van z = 1,5 betekent dat z +1 = λ(n) / λ(t), waaruit volgt: λ(n) = 2,5 λ(t). Ik ben er niet zeker van dat stralingsbronnen, die wij waarnemen met z = 1,5, zich van ons kunnen verwijderen met een snelheid groter dan c. Eerst moeten wij zien hoe dat kan worden berekend. In elk geval moet er een onderscheid worden gemaakt tussen de snelheid waarmee wij ons verwijderen van de plaats van emissie en de snelheid waarmee wij en de stralingsbron zich van elkaar verwijderen. In de kosmologie zijn onze waarnemingen niet alleen afhankelijk van het ruimtelijk, maar ook van het tijdperspectief. Wij zien de objecten op plaatsen waar ze waren toen het signaal, dat wij nu waarnemen, werd uitgezonden.
De Hubble constante is evenredig met de mate van vergroting van de afstand tussen twee sterrenstelsels, gedeeld door die afstand.

Om precies te zijn: H = v / S(n). Om de waarde van H te kunnen bepalen moeten dus eerst twee gegevens voldoende nauwkeurig worden bepaald en dat betekent dat er zich twee problemen voordoen. Ten eerste: de berekening van de snelheid waarmee wij ons verwijderen van een sterrenstelsel. Welke formule gebruiken om die snelheid te berekenen uit de roodverschuiving? Kan dat op basis van het relativistische dopplereffect of moet er een andere formule worden gebruikt? Ten tweede: de bepaling van de afstand tussen de plaats van emissie in het verleden en de plaats waar de straling nu wordt waargenomen. Met driehoeksmeting kan dat niet voor kosmologische afstanden, wel op basis van de schijnbare helderheid van zgn. standaardkaarsen, soorten sterren of sterexplosies waarvan de absolute helderheid verondersteld wordt een constante grootheid te zijn. Laten wij aannemen dat die methode van afstandsbepaling betrouwbaar is en dat de resultaten voldoende nauwkeurig zijn. Door die afstand te delen door c bekomen wij de tijdsduur tussen het ogenblik van emissie en dat van waarneming, alvast één gegeven om een snelheid te berekenen.
En wat blijkt? De Hubble-constante neemt af en dat wil dan weer zeggen dat de Hubble-afstand vergroot. Het gekke en contra-intuïtieve is dat het sterrenstelsel waarvan deze lichtstraal afkomstig is, zich mogelijk nog steeds aan een snelheid die groter is dan de lichtsnelheid van ons verwijdert en dat wij dat voorwerp 'zelf' dus nooit zullen kunnen waarnemen. Daardoor is de afstand op dit moment tot het verste object dat wij kunnen zien, verder dan 14 miljard lichtjaar, nl.46 miljard lichtjaar [**] De berekening van deze 46 miljard lichtjaar kan ik nergens vinden; het gaat om het idee. Een nog versnellend heelal lijkt op een zwart gat, in de zin dat het een 'event horizon' heeft, een grens. En voorbij deze grens kunnen wij niets zien. De huidige afstand tot deze 'event horizon' is ongeveer 16 miljard lichtjaar. [*]Sommige bronnen plaatsen heden ten dage de Hubble-afstand op 16 miljard lichtjaar. Excuses voor de verwarring; kan ik niet aan doen.

Er worden door de wetenschappers cijfers gepublceerd die oncontroleerbaar zijn als ze verzuimen aan te geven hoe en met welke waarde voor de parameters die worden berekend. Als ons heelal werkelijk 13,7 miljard jaar oud is, is het volgens mij onmogelijk dat wij een event zouden kunnen waarnemen dat zich voordeed op een plaats die nu meer dan 13,7 miljard lichtjaar van ons verwijderd is. Die 46 miljard lichtjaar voor een object waarvan wij de emissie nu kunnen zien lijkt mij toch hoogst onwaarschijnlijk. Het ziet er naar uit dat wij onze hersenen nog duchtig moeten pijnigen als wij deze topic willen afsluiten zonder al te veel vraagtekens achter te laten.

Groetjes,
jm074
"We are students of nature, and we adjust our concepts as the lessons continue"
P.James Peebles
jm074
 
Berichten: 800
Geregistreerd: 21 okt 2006, 16:00

Berichtdoor jm074 » 15 dec 2008, 18:56

De relativiteitstheorie is een heilige koe. Beroepsfysici kunnen zich maar beter onthouden van ze al te kritisch te benaderen, willen ze niet door hun vakgenoten verketterd worden of, erger, van hun leerstoel aan een universiteit gewipt zoals gebeurde met Paul Marmet in Canada. Als hoby-kosmoloog denk ik mij wél te kunnen veroorloven dingen in vraag te stellen die door het wetenschappelijk establishment als onaantastbare waarheid worden beschouwd. Ik moet dan wel argumenten kunnen aanvoeren. Die blijven uiteraard voor verdere discussie vatbaar.

Als ik de post van gjb van 04.10.08, 2:34 pm goed begreep, dan verwachtte hij dat de gedachtenwisseling over de relativiteitstheorie zou worden hernomen na afwerking van mijn commentaar op de bijdrage van Blueflame. Dat laatste is nu achter de rug, maar verhoopte respons bleef uit, waardoor ik mij geneerde om hier verder een monoloog te voeren. Onze topic kwam daardoor een tijdje op waakvlam te staan, maar vermits hij toch nog regelmatig wordt bekeken, waag ik het erop een nieuw A4-rtje in de ring te gooien in de hoop wat leven in de brouwerij te krijgen.

Terug dus naar mijn uitspraak van 03.10.08, 3:01 pm
Lengtecontractie en tijddilatatie worden experimenteel door geen enkele waarneming ontegensprekelijk bevestigd.

Daarop reageerde gjb met:
??? Wat is er mis met de experimenten van Ives & Stilwell, 1938, 1941, (...)?

Daar is natuurlijk niets mis mee, maar ik wilde toch aangeven dat niet iedereen ze aanvaardt als een afdoend bewijs voor de relativiteitstheorie. Of Joseph A. Rybczyck al dan niet een betrouwbare bron is voor kritiek daarop, laat ik verder buiten beschouwing, maar niet zonder te benadrukken dat het niet mijn bedoeling was (wat gjb leek te veronderstellen) het groot verhaal van de kosmologie op te hangen aan zijn artikels. Daar heb ik andere bronnen voor beschikbaar. Als voorbeeld even citeren uit Speciale relativiteitstheorie van A. P. French (1920- ):
Het is een zonderling toevallig aspect bij deze proef dat de auteurs (Ives & Stilweell) de relativiteitstheorie niet aanvaardden, zelfs nog niet in 1938. In hun ogen toonden de resultaten eenvoudig aan dat een bewegende klok langzamer loopt (zoals Larmor en Lorentz geopperd hadden) met precies dezelfde factor en even reëel als een bewegende staaf inkrimpt als hij in de richting van de absolute beweging door de ether lag.

Dat Ives en Stilwell zelf de relativiteitstheorie niet aanvaardden belet natuurlijk niet dat de resultaten van hun experiment later toch als bewijs kon worden aangevoerd voor de geldigheid ervan. Belangrijk, in dit verband, is te noteren dat Larmor, FitzGerald en Lorentz overtuigd waren dat lengtecontractie en tijddilatatie reële eigenschappen van de materie zijn. Die fenomenen zouden kunnen te wijten zijn aan een verandering in de Bohr-straal van de atomen. Ik plaats tegenover dit standpunt een uitspraak van A. P. French over de interpretatie van die fenomenen:
De contractie is dus niet, als we deze waarnemen, een eigenschap van de materie, maar iets dat inherent is aan het meetproces.
Dat is een belangrijke uitspraak over de realiteit van lengtecontractie - ook van toepassing op tijdilatatie - alhoewel, wat betreft deze laatste, een onderscheid moet worden gemaakt tussen kinetische en gravitationele dilatatie.

Voor wat betreft de lengtecontractie kan worden gesteld dat deze, ook als ze reëel zou zijn, nooit kan worden gemeten met een maatstaf omdat die dezelfde contractie van de Bohr-straal zou ondergaan als de te meten lengte. De kinetische lengtecontractie en tijddilatatie, zoals ze worden opgevat in de relativiteitstheorie, zijn wederzijdse verschijnselen voor waarnemers in referentiestelsels die t.o.v. elkaar in beweging zijn. Die reciprociteit sluit dan uiteraard fysische werkelijkheid uit.

Gravitationele tijddilatatie is wel een reëel fysisch verschijnsel en verdient daarom een aparte behandeling, in een volgend A4-tje.
Groetjes,
jm074
"We are students of nature, and we adjust our concepts as the lessons continue"
P.James Peebles
jm074
 
Berichten: 800
Geregistreerd: 21 okt 2006, 16:00

Berichtdoor jm074 » 25 dec 2008, 18:25

Digit schreef:
Als je op de maan de tijd meet met een klok die niet gravitatie-afhankelijk is, dan krijg je een resultaat dat niet verschilt van op de aarde, op de uiterst minieme dilatatie na.

Zijn de toestellen waarmee wij de tijd meten niet allemaal gravitatie-afhankelijk, of moeten wij een onderscheid maken tussen gravitatie-afhankelijk en gravitatiegevoelig? Zandlopers, waterhorloges en slingeruurwerken zijn in elk geval gravitatie-afhankelijk omdat ze werken op zwaartekracht. Of uurwerken met een veer gravitatiegevoelig zijn is moeilijk uit te maken. Het is mogelijk dat de Bohrstraal in de atomen van de veer en van de andere onderdelen beïnvloed wordt door de zwaartekracht met het gevolg dat uurwerken met een veer elders ook anders gaan lopen. Die invloed zal dan waarschijnlijk zo klein zijn dat hij niet waarneembaar is. Wat als een paal boven water staat is dat atoomklokken, niettegenstaande hun onvoorstelbare precisie, gravitatiegevoelig zijn.
Nu even grasduinen bij Wiki voor wat het fenomeen van de tijddilatatie betreft.
http://en.wikipedia.org/wiki/Time_dilation
In special relativity, the time dilation effect is reciprocal: (...)
In contrast, gravitational time dilation (as treated in general relativity) is not reciprocal: (...)

De SRT beschrijft geen echt fysisch verschijnsel en zou dus, van wetenschappelijk standpunt uit, als overbodige theorie kunnen worden afgedaan. Voor sciencefictionverhalen is ze natuurlijk gefundenes Fressen en, zeker in dat opzicht, pseudowetenschap. Maar blijkbaar wordt ze er voor de afstelling van de atoomklokken in GPS-systemen toch nog bijgehaald. Dat is, volgens mij, onterecht.
http://en.wikipedia.org/wiki/Global_Positioning_System
Satellite clocks are slowed by its orbital speed but sped up by its distance out of the earth's gravitational well.
For the GPS satellites, general relativity predicts that the atomic clocks at GPS orbital altitudes will tick more rapidly, by about 45.9 microseconds (μs) per day, because they have a higher gravitational potential than atomic clocks on Earth's surface. Special relativity predicts that atomic clocks moving at GPS orbital speeds will tick more slowly than stationary ground clocks by about 7.2 μs per day. (...)

Atoomklokken in de GPS-satellieten lopen dus, volgens bovenstaande tekst, langzamer door hun baansnelheid (SRT) en sneller door hun afstand tot de aarde (ART). De wederzijdse, dus schijnbare, kinetische tijddilatatie is kleiner en tegengesteld aan het effect van de gravitatie. Dit effect kan enkel met de naam dilatatie worden aangeduid voor de klok die op aarde blijft. De klok in de ruimte ondergaat, van de aarde uit gezien, een relativistische tijdcontractie. Eenvoudig samengevat: atoomklokken zijn gevoelig voor de sterkte van het gravitatieveld waarin ze zich bevinden. De gemeten tijd wordt kleiner als ze zich dichter bij een zwaar object bevinden.

Wat de kinetische tijddilatatie in de GPS-satellieten betreft stel ik mij de vraag waarom die daar nog als een fysische werkelijkheid wordt beschouwd. Strikt genomen is de SRT nergens in het heelal van toepassing omdat alle bewegingen er versneld (of vertraagd) zijn en de SRT enkel geldt voor eenparig rechtlijnige bewegingen. Waarom moeten planeten en satellieten in cirkelvormige- of elliptische banen rond een zwaar object draaien? Het antwoord is eenvoudig: om niet te vallen. Door demiddelpuntvliedende kracht counteren ze de gravitatiekracht . Vanuit die hoek bekeken zouden wij kunnen zeggen dat atoomklokken juist lopen in gewichtloze toestand, en op aarde achterlopen door de zwaartekracht. Het effect van hun baansnelheid in de GPS-satellieten is het tegenwerken van zwaartekracht en heeft, als zodanig, niets te maken met de SRT.

Ik stel dat de tijd, op zich, gravitatie-ongevoelig is en dat het verschijnsel dat wij tijddilatatie noemen enkel meetfouten zijn. Die zijn te wijten aan de gravitatiegevoeligheid van onze klokken.
Groetjes,
jm074
"We are students of nature, and we adjust our concepts as the lessons continue"
P.James Peebles
jm074
 
Berichten: 800
Geregistreerd: 21 okt 2006, 16:00

Berichtdoor Digit » 27 dec 2008, 15:11

jm074,

Laat het duidelijk zijn: sinds de RT is zowat álles gravitatie-afhankelijk.

Maar mijn opmerking ging over een denkfout van je : het feit dat de tijd anders gemeten wordt door een mechanisme dat in zijn werking afhankelijk is van de kracht van het gravitatieveld (zoals in je voorbeeld), heeft hoegenaamd niets met relativiteit te maken, maar alles met Newtoniaanse mechanica. Dat daar relativiteitseffecten bovenop komen zal wel kloppen, maar die zijn in dit geval van een totaal andere grootte-orde !

Groetjes,

Digit
Wat is, IS !
Avatar gebruiker
Digit
 
Berichten: 8724
Geregistreerd: 09 nov 2006, 09:03

Berichtdoor jm074 » 27 dec 2008, 18:47

Digit schreef:
Laat het duidelijk zijn: sinds de RT is zowat álles gravitatie-afhankelijk.

Ik ben niet zeker of wij het zó algemeen mogen stellen. In zijn SRT stelt Einstein dat onze waarneming van lengte en tijd bewegingsafhankelijk zijn en komt gravitatie er voor niets tussen. In verband met de lichtafbuiging in de nabijheid van zware objecten maakt hij dan weer een duidelijk onderscheid tussen het effect van het gravitatieveld (newtoniaans) en de kromming van de ruimte (ART). Het is mij niet duidelijk of, en hoe, die kromming ook in verband zou kunnen staan met gravitatie. Wat er ook van zij: bij onze tijdmetingen moet er een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen gravitatie-afhankelijke (newtoniaans) en gravitatiegevoelige (ART of eerder KM en Bohr-straal?) meetinstrumenten.
Maar mijn opmerking ging over een denkfout van je : het feit dat de tijd anders gemeten wordt door een mechanisme dat in zijn werking afhankelijk is van de kracht van het gravitatieveld (zoals in je voorbeeld), heeft hoegenaamd niets met relativiteit te maken, maar alles met Newtoniaanse mechanica. Dat daar relativiteitseffecten bovenop komen zal wel kloppen, maar die zijn in dit geval van een totaal andere grootte-orde !

Ik heb mij, wat dat betreft, blijkbaar niet duidelijk genoeg uitgedrukt. Mijn bedoeling was niet enig verband te suggereren tussen tijdmeting met een slingerhorloge en relativistische effecten, maar te benadrukken dat de resultaten van elke tijdmeting beïnvloed worden door de veldsterkte van de zwaartekracht op de plaats van de meting. Dat geldt evenzeer voor gravitatiegevoelige als voor gravitatie-afhankelijke meetinstrumenten.

Groetjes,
jm074
"We are students of nature, and we adjust our concepts as the lessons continue"
P.James Peebles
jm074
 
Berichten: 800
Geregistreerd: 21 okt 2006, 16:00

Berichtdoor Digit » 28 dec 2008, 12:53

jm074 schreef:Ik heb mij, wat dat betreft, blijkbaar niet duidelijk genoeg uitgedrukt. Mijn bedoeling was niet enig verband te suggereren tussen tijdmeting met een slingerhorloge en relativistische effecten, maar te benadrukken dat de resultaten van elke tijdmeting beïnvloed worden door de veldsterkte van de zwaartekracht op de plaats van de meting. Dat geldt evenzeer voor gravitatiegevoelige als voor gravitatie-afhankelijke meetinstrumenten.


Het eerste wil ik wel aannemen, en het laatste klopt. Alleen heb je wél verwarring gecreëerd door Newtoniaanse en relativiteitseffecten door elkaar te halen. En dat heb ik willen verduidelijken !

Groetjes,

Digit
Wat is, IS !
Avatar gebruiker
Digit
 
Berichten: 8724
Geregistreerd: 09 nov 2006, 09:03

Berichtdoor jm074 » 04 jan 2009, 18:19

Bedankt Digit voor je recente reacties! Ik begon mij hier erg eenzaam te voelen. :wink: Aan belangstelling voor kosmologie blijkt er wel geen gebrek te zijn, maar de bezoekers zijn zo zwijgzaam geworden op deze topic dat voort monologiseren voor mij echt gènant werd.
Digit schreef:
Alleen heb je wél verwarring gecreëerd door Newtoniaanse en relativiteitseffecten door elkaar te halen. En dat heb ik willen verduidelijken!

Waarvoor nogmaals dank! Aanvankelijk zag ik enkel dat gravitatie verantwoordelijk was voor beide effecten en maakte nog niet het belangrijk onderscheid tussen gravitatie-afhankelijke en gravitatie-gevoelige systemen. Vandaar de verwarring. Verder nu!

Ik ben geen overtuigde fan van de relativiteitstheorie, zeker niet van de SRT en ook niet echt van de ART. Het zijn per slot van rekening, volgens mij, theorieën die op waargenomen fysische werkelijkheid worden geplakt, maar deze niet ten gronde verklaren. De klassieke mechanica vind ik, wat dat betreft, betrouwbaarder omdat ze leidt tot (en steunt op) onmiskenbare natuurwetten. Eénzelfde fenomeen kan bovendien soms met verschillende theorieën worden beschreven en in éénzelfde wiskundige formule gevat, zonder dat het mogelijk is uit te maken welke theorie de juiste verklaring geeft.

Dat laatste kan worden geïllustreerd met de periheliumverschuiving in de baan van de planeet Mercurius. De ART leidde tot een mathematische formule voor dat fenomeen en dit wordt dikwijls aangehaald als bewijs voor de juistheid van die theorie. Wat door weinigen is geweten, is dat een zekere Paul Gerber reeds in 1898, achttien jaar vóór Einstein, een artikel publiceerde waarin hij met dezelfde formule op basis van die periheliumverschuiving de lichtsnelheid kon berekenen. Hij steunde daarbij op de wet van Newton waaraan hij de hypothese van een trage uitbreiding van de gravitatiepotentialen toevoegde. Ik zal niet verder ingaan op dit ingewikkeld fysisch fenomeen waarbij heel wat hogere wiskunde buiten het bereik van mijn kennis blijft.

De theorie van Gerber geraakte eerst in de vergeethoek, maar veroorzaakte later heel wat heibel in de wetenschappelijke wereld toen Ernst Gehrcke er in 1916 de aandacht op vestigde en in 1917 het artikel van Gerber opnieuw liet afdrukken. Zijn vermoeden van plagiaat werd door Einstein niet geapprecieerd en die kraakte het werk van Gerber dan ook grondig af. Terecht? Ik weet het niet! Grote vraag is: hoe kon Gerber met een foute theorie tot een juiste wiskundige formule komen? En als dat mogelijk is, welke garantie hebben wij dan dat Einstein het bij het rechte eind had? Wie meer wil weten over deze kwestie kan terecht op volgende site die pas vorig jaar werd geopend en waar blijkbaar, na veel zoekwerk, een schat aan vergeten informatie werd bijeengesprokkeld.
http://wikipedia.org/wiki/Paul_Gerber

Voortbordurend op wat voorafging rijst bij mij de vraag of de klassieke mechanica, aangevuld met nieuwe inzichten soms toch niet voldoende is om te doorgronden wat nu tot het het minder toegankele domein van de relativiteitstheorie(ën) wordt gerekend.

Groetjes,
jm074
Laatst bijgewerkt door jm074 op 05 jan 2009, 13:50, in totaal 1 keer bewerkt.
"We are students of nature, and we adjust our concepts as the lessons continue"
P.James Peebles
jm074
 
Berichten: 800
Geregistreerd: 21 okt 2006, 16:00

Berichtdoor Digit » 04 jan 2009, 18:53

Jm074 schreef:Voortbordurend op wat voorafging rijst bij mij de vraag of de klassieke mechanica, aangevuld met nieuwe inzichten soms toch niet voldoende is om te doorgronden wat nu tot het het minder toegankele domein van de relativiteitstheorie(ën) wordt gerekend.


Ik denk dat het dát is wat de RT juist doet ! Als in de formules van de RT v<<<<c, dan ben je terug bij de newtoniaanse mechanica.

Misschien geeft de RT géén "verklaring". Maar een correcte beschrijving is ook al veel, en is vaak een aanzet naar de juiste verklaring.

Als je voldoende parameters invoert en coëfficiënten kunt aanpassen, dan kan je vrijwel élke theorie redelijk bij de waarnemingen doen aansluiten ! Het beste voorbeeld waren volgens mij de epicycels waarmee men vrij nauwkeurig de planetenbanen kon beschrijven vooraleer Kepler op de proppen kwam. Ook Kepler "verklaarde" niets, maar beschreef, waarna Newton met de "verklaring" kwam, althans binnen de tijdscontext (relatief lage snelheden). Voor zover ik weet geeft Einstein een betere benadering dan Gerber. Of we daarom zeker zijn dat hij het "bij het rechte eind" heeft ? Natuurlijk niet. Maar het feit dat bv. onze GPS-en werken toont aan dat zijn beschrijving wél érg goed is !

Groetjes,

Digit
Wat is, IS !
Avatar gebruiker
Digit
 
Berichten: 8724
Geregistreerd: 09 nov 2006, 09:03

Berichtdoor jm074 » 07 jan 2009, 18:10

Digit schreef:
Voor zover ik weet geeft Einstein een betere benadering dan Gerber.

Dat denk ik niet! Ze gebruiken dezelfde formule, maar de parameters staan niet aan dezelfde kant van het gelijkheidsteken omdat Gerber (1854-1909) met de gekende waarde van de periheliumverschuiving de lichtsnelheid berekent en Einstein (1879-1955) met de gekende lichtsnelheid de waargenomen waarde van de periheliumverschuiving bevestigt. Het verschil zit hem in het feit dat parameters (halve grote as en excentriciteit van de baan en de omlooptijd van Mercurius) ten tijde van Gerber (en misschien ook nog van Einstein) niet met dezelfde nauwkeurigheid waren gekend als tegenwoordig. De primeur komt in elk geval Gerber toe; als Einstein hem niet plagieerde dan ontdekte hij 18 jaar later dezelfde formule.

De kritiek op het werk van Gerber komt erop neer dat zijn theorie niet consistent zou zijn en dat zijn formule niet het gevolg zou zijn van zijn premissen. Ik kan daar niet over oordelen, maar constateer dat hij niettegenstaande dát de juiste formule vond en dat later zijn hypothese van een trage uitbreiding van de gravitatiepotentialen (met lichtsnelheid) werd bevestigd. Hij verschafte in elk geval een aannemelijke verklaring voor het fenomeen dat trouwens geldt voor alle planetenbanen, maar enkel bij Mercurius een betekenisvolle waarde heeft. Een tussendoortje over de periheliumverschuiving van Mercurius is hier misschien toch niet misplaatst.

Planeten draaien rond de zon in banen die ellipsvormig zijn. De grote as van die ellipsen heeft geen onveranderanderlijke oriëntatie, maar vertoont een langzame draaibeweging. Dat verschijnsel noemt men periheliumverschuiving. Voor Mercurius bedraagt de rotatie slechts 43 boogseconden per eeuw, voor andere planeten nog veel minder. Planeten verstoren bovendien onderling hun banen en die storingen kunnen worden berekend. In 1839 publiceert Jean Joseph Leverrier (1811- 1877) een eerste verhandeling over de variaties in de planetenbanen en bleef tot aan zijn dood met dat onderwerp bezig. Zijn theoretisch werk lag o.a. aan de basis van de ontdekking van de planeet Neptunus.

Mercurius bleef voor Leverrier een probleem. Hij vond een onverklaarbaar verschil tussen de berekende en de waargenomen storingen en dacht daarom aan een nog niet ontdekte planeet Vulcanus die zich binnen de baan van Mercurius zou bewegen. Die planeet werd nooit ontdekt omdat ze niet bestaat en de periheliumverschuiving van Mercurius bleef een raadsel tot Paul Gerber in 1898 zijn artikel publiceerde waarin hij een, later weliswaar betwiste, verklaring van het fenomeen suggereerde, maar in elk geval de juiste mathematische formule opstelde. Tot er verleden jaar vernieuwde belangstelling kwam voor zijn werk, bleef Gerber op internet een onbekende. Ik slaagde er in 2001 in een fotokopie te krijgen van het artikel uit 1898, maar over Gerber zelf kwam ik enkel te weten dat hij in Pommeren iets met onderwijs te maken had. De recente informatie op Wiki heeft die leemte nu opgevuld.

Met het overige commentaar van Digit kan ik volledig instemmen, maar wat betreft de toepassing van de RT op de atoomklokken in de GPS-satellieten, daar wil ik in een volgende bijdrage toch nog even op terugkomen.

Groetjes,
jm074
"We are students of nature, and we adjust our concepts as the lessons continue"
P.James Peebles
jm074
 
Berichten: 800
Geregistreerd: 21 okt 2006, 16:00

Berichtdoor Maverick » 11 jan 2009, 18:16

Zie ook viewtopic.php?t=1501

LordDragon schreef:
Dit punt staat bekent als de "geboorte" van het heelal: de Big Bang. Vanaf het moment van deze "oerexplosie", waarvan men nu nog niet weet hoe deze precies heeft plaatsgevonden, is het heelal gaan uitdijen en dus gaan afkoelen, tot de toestand waarin wij het nu zien.


Is het niet net dat wat men wil gaan onderzoeken via de LHC in het CERN?
De toestand vlak na de big bang, minder dan een seconde erna zogezegd.

MVG, LD.


Tot op minder dan 1 seconde na de oerknal is dit universum dus bekend... Dat is best knap laat ik dat voorop stellen. Het gaat dus om die eerste seconde. De wetenschappelijke hypothese waarin het universum uit een klein gebied vergelijkbaar met een punt voortkomt is heel sterk als ik alles zo lees.

1 punt dat in beweging komt op grond van onbekende natuurwetten dat geeft echter meteen hoofdpijn, dan worden er meteen natuurwetten opgevoerd waarvan geen enkele redelijk argument kan doen vermoeden dat ze bestaan. Kan je net zo goed god aan de knoppen zetten.

Ik zie veel meer in cirkeltheorien, omdat ze in tegenstelling tot de theorie dat het universum dat uit 1 punt ontstaan is logisch zijn.

Daarin is het ontstaan en weer verdwijnen van universums de eeuwige constante factor en daarin is de werkelijkheid een multiuniversum dat zich buiten onze waarnemingshorizon bevind op ons eigen universum na.

Welke wetmatigheden dat mogelijk maken weet ik niet, maar dat geld dus ook voor het moment 0 van dit universum.

De geboorte van een nieuw universum is dan in het oude universum waarin de lege ruimte een bepaald kritisch maximum bereikt heeft, wat meteen verklaard waarom er sowieso een universum is. De sporen van dat oude universum, wat toch al bijna leeg was, worden dan weggevaagd. Het enige spoor is de onevenwichtigheid van het nieuwe universum, waardoor het uit gaat zetten totdat het een kritische leegheid bereikt heeft. Een proces dat eeuwig doorgaat en in cirkels verloopt. Geen begin, geen einde. Heb je meteen geen schepper nodig die boven de materie staat.
Avatar gebruiker
Maverick
 
Berichten: 1270
Geregistreerd: 22 nov 2008, 23:44
Woonplaats: Landsmeer

VorigeVolgende

Keer terug naar Wetenschap

Wie is er online

Gebruikers op dit forum: Geen geregistreerde gebruikers. en 1 gast