Bestaat God?
Uitgangspunten
- Het universum beschouwen we als de verzameling van al het bestaande. Vanuit een zuiver menselijk perspectief beschouwen we als “bestaande dingen” a) alle dingen die het product zijn van menselijke intellectuele operaties. We noemen die dingen of eigenschappen abstracta. Als alle mensen zouden verdwijnen, dan zouden ook deze begrippen en/of eigenschappen ophouden te bestaan. b) Als zgn. concreta beschouwen we alle dingen die ook zouden blijven bestaan als de mensheid niet meer tot intellectuele operaties in staat zou zijn.
- Als “niet bestaande”, en dus niet deel uitmakende van het universum beschouwen we alle fenomenen die geen andere eigenschappen hebben, dan dat ze geen andere eigenschappen hebben.
- In volgende tekst schrijven we God met een hoofdletter, en kennen we hem een mannelijk geslacht toe, omdat dit in het in het Nederlands gebruikelijk is. Met “God” bedoelen we het goddelijke, dus ook de Godheden van het politheïsme, voor zover ze eigenschappen gemeen hebben, met de eigenschappen die men in het monotheïsme doorgaans aan God toeschrijft .
God als abstractum
- Heel wat mensen geloven in God, het begrip wordt gebruikt en mensen handelen naar richtlijnen die aan God toegeschreven worden. God speelt een rol in het gevoelsleven van vele mensen, en dus in chemische processen in de hersenen. Het begrip God is dus zeker te omschrijven als een abstractum, en maakt derhalve deel uit van het universum.
God bestaat dus als abstractum, maar is het ook een concreet object? Met andere woorden, zal God blijven bestaan als er geen menselijk bewustzijn meer zou zijn?
God als concretum
- De vraag die we ons hier stellen is of God ook zou kunnen bestaan buiten het menselijk bewustzijn, dus als een concreet object, onafhankelijk van menselijke intellectuele operaties. We gaan dus op zoek naar eigenschappen die door het abstractum (het menselijk intellect) aan God toegeschreven worden, en kijken of er een wezen bestaat dat aan die eigenschappen voldoet. NB. Eventuele andere levende wezens met een Godsbesef laten we in het kader van dit betoog buiten beschouwing.
- Eigenschappen die aan God toegeschreven worden:
1. God is de schepper en oorsprong van al het bestaande.
2. God is eeuwig en transcendeert de tijd.
3. God is alomtegenwoordig
4. God is almachtig, en is dus in staat alles te bewerkstellen in het universum.
5. God is rechtvaardig
6. God is alwetend
7. God is algoed
1. God als scheppende kracht
We poneren volgende hypothese: het heden kan niet uit het niets ontstaan, maar ontstaat uit een voorgaand heden, dit at infinitum. Het heden heeft dus een proces als oorzaak, dat al oneindig duurt, het is het resultaat van het verleden. Dit verleden kan echter in een bepaalde periode een toestand van mogelijkheid geweest zijn. In deze “mogelijkheid” zouden we geen beweging, energie of materie zoals ,we die heden waarnemen, herkennen maar er zou wel een heden bestaan omdat dit een noodzakelijke voorwaarde is om een nieuw heden te laten ontstaan. Zonder tijd is het logischerwijze niet mogelijk om gelijk wat te laten ontstaan. Indien een onderzoeker met een klok zich in dit hypothetisch “potentiële zijn” zou kunnen begeven, dan zou hij de tijd kunnen meten, maar hij en zijn klok zou wel de enige materie en herkenbare beweging zijn. Ons heden heeft dus volgens bovenstaande hypothese, zijn oorzaak in een eeuwige opeenvolging van voorbije hedens. In dit verleden ligt dus de scheppende kracht, in een voortdurende creatie van nieuwe hedens. In die optiek is het huidige heelal dus niet uit “het niets” ontstaan.
En het toeval dan? Zou dit niet aan de basis kunnen liggen van het bestaan? Statistici kunnen stellen dat zich in een oneindigheid, een oneindig aantal mogelijkheden kunnen voordoen, dus ook het ontstaan van het bestaande uit het niets . Fysici kunnen wijzen op kwantumfluctuaties, die zich schijnbaar willekeurig kunnen voordoen in het vacuüm, en aan de basis zouden kunnen liggen van het ontstaan van het bestaande. Het toeval is echter een wankele hypothese. Het toeval is een gebeurtenis die zich slechts kan voordoen op een welbepaalde plaats en een welbepaalde tijd. Een plaats impliceert het bestaan van een ruimte, die in een heden bestaat. Een heden verondersteld een tijdstip of tijd. Als er geen heden (tijd) is, en geen ruimte kan er zich ook geen toeval of mogelijkheid voordoen. Ruimte en tijd hebben eigenschappen en zijn niet “ niets”, maar eigenschappen van de scheppende kracht.
2. De eeuwige God
Uit het bovenstaande kunnen we besluiten dat de kracht die het huidige universum geschapen heeft een eeuwige geschiedenis kent.
Kent dit scheppingsproces ook een eeuwige toekomst? De wetenschap kent een aantal “behouden grootheden” zoals bijvoorbeeld energie, die volgens de wetten van de fysica niet kan verdwijnen. Als we deze wetenschappelijke gegevens voor waar aannemen zal het bestaan van die “behouden grootheden”, en dus het scheppingsproces ook een eeuwige toekomst tegemoet gaan. Een eeuwig aanwezige scheppende kracht waar het ene heden een volgend heden schept, kan dus gepostuleerd worden. Het ogenblikkelijke heden kunnen we beschouwen als een middelpunt van een tijdslijn, die van het eeuwige verleden naar een oneindige toekomst loopt. Het heden is dan een soort middelpunt, tussen een oneindig verleden en een oneindige toekomst. Het heden bevat de samenvatting van een eeuwig verleden, en het potentiaal voor een eeuwige toekomst. De scheppende kracht is dan de actieve schepper van zijn eigen verleden, toekomst en bestaan, net zoals de God van het abstractum.
3. De alomtegenwoordige God
In vorig punt situeerden we een scheppend “zijn” in het heden. Het universum in het “heden” bevat alles wat bestaat. Als het heden de scheppende zijn is, dan deelt het die eigenschappen met de God van het abstractum, dan is dit aspect van de abstracte God alomtegenwoordig.
4. De almachtige God
De natuur gehoorzaamd aan bepaalde wetten. Die wetten zijn ontstaan in het scheppingsproces doorheen de eeuwige geschiedenis, en zijn dus het resultaat van de scheppende kracht. In die zin is de scheppende kracht almachtig, want het schiep deze wetten. Maar die kracht is dan ook gebonden aan de regels. Almachtig, maar binnen de regels, en zonder willekeur, tenzij een “vrije wil” erop inwerkt.
5. De rechtvaardige God
De natuur volgt wetmatigheden. De scheppende kracht die we kunnen vergelijken met het godsbegrip volgt die wetten, en is in die zin streng maar rechtvaardig. Die rechtvaardigheid of het strikt opvolgen vanzelf geschapen wetten is echter niet noodzakelijk wat de mens als rechtvaardig erkent. De mens heeft immers zijn eigen (diverse) rechtsnormen, die hem helpen zijn maatschappij te ordenen. Dit betekend niet dat de mens onrechtvaardig is, omdat hij de natuurwetten niet volgt , maar manipuleert in functie van zijn eigen doelstellingen. Die uitzondering op de natuurwetten die de mens maakt is blijkbaar toegelaten. De scheppende kracht heeft immers het ontstaan van de mens toegelaten, en dus ook de intellectuele mogelijkheid om de natuurwetten naar eigen keuze aan te wenden.
6. De alwetende God
Als de wetten gekend zijn volgens de welke alles verloopt, is het mogelijk om de gevolgen te kennen. Wat men dan nodig heeft is een computer met een enorm geheugen, een fabelachtige rekenkracht en een enorm vermogen, om de enorme hoeveelheid informatie te verwerken tot hapklare blokken voor het bewustzijn van het genie dat zich van deze computer bedient, tenzij hijzelf de computer is. Maar wij houden deze hypothese voor onwaarschijnlijk, temeer daar god zoals wij hierboven betoogden zich in het heden bevindt en er weinig tijd is om alles te berekenen. Waarom zou de scheppende kracht trouwens alles moeten kennen, uit hem emaneerden de natuurwetten, die zijn wil gehoorzamen. We zouden ook kunnen stellen dat zelfs een geïnformatiseerde God niet alles zou kunnen weten omdat er ook zoiets bestaat als de vrije wil van sommige van de bestaande schepselen. De levende wezens hebben immers als finaliteit hun eigen bestaan te waarborgen en hun genetische informatie door te geven. Daarbij kunnen zij de natuurwetten manipuleren en oneigenlijk gebruiken. Dit soort ruis, zou het voorspellend vermogen van een Goddelijke computer sterk bemoeilijken. De mens wordt steeds sterker in het manipuleren van de natuurwetten, en wordt dus steeds een beetje meer God. Bovendien kan de mens ook andere doelstellingen nastreven dan voortplanting en eigen bestaan, en in hoge mate concreta scheppen en het verloop van het heden van zijn omgeving bepalen. Bovendien kan hij ook abstracta bedenken die zijn eigen handelen beïnvloeden.
Het concept van een alwetende God is moeilijk verdedigbaar, maar als er een verbondenheid is in het gehele heelal, is er wel een mogelijkheid dat elke actie elke actie beïnvloed, en dan is er sprake van een universeel bewustzijn, en dus “alvoelendheid”. We kunnen ons dan een” zijn” voorstellen dat alles waarneemt, een derhalve een analoog met een alvoelende God
7. De goede God
Vele mensen hebben een idee over wat het absoluut goede en het absoluut rechtvaardige is. Wel is hun oordeel niet altijd gelijkluidend, maar toch zijn er veel parallellen. De goede en rechtvaardige God bestaat dus als abstractum, en heeft via de mens invloed op het concretum. Maar ook wat door de mens doorgaans als slecht en onrechtvaardig geacht wordt, bestaat in ruime mate. Kan God dan zowel goed en rechtvaardig zijn? De natuurwetten zijn niet goed of slecht, ze zijn amoreel. De vrije wil moet dan bepalen wat goed is, wat slecht is en wat onrechtvaardig is, en dat is het werk van de mensheid (en eventueel andere intellecten in het universum). Maar de mens met zijn handelingsvrijheid (vrije wil) en zijn mogelijkheid tot morele oordelen zijn ook , het resultaat van het scheppend beginsel, en via die omweg is dus het scheppend beginsel ook de schepper van de moraal en van het goede.
Besluit: Dat er een abstracte god bestaat in het bewustzijn van vele mensen is een feit. We kunnen ook postuleren dat er ook een opeenvolging is van hedens met een eeuwige geschiedenis en een eeuwige toekomst. Dat deze vorm van “zijn” de oorzaak is van het bestaande zoals we dit nu in het heden kennen lijkt logisch. Dat deze aanwezigheid via de natuurwetten alles bepaald, behalve een smalle marge waar de vrije wil een inbreng heeft, is goed verdedigbaar. Dat die scheppende kracht ook aan de basis ligt van ontstaan van de mens is ook een gegeven. Of men dit wezen nu het heden noemt of God is een subjectief oordeel. Het beeld van de goede God is enkel van toepassing op de abstracte God. De definitie van “goed” hangt immers af van het oordeel van de mensen, want het is een abstractum. Na een eventueel verdwijnen van de huidige mensheid, kan het echter weer ontstaan, en blijft de goede God eeuwig in potentie aanwezig. De goedheid heeft bewezen dat het kan ontstaan, en het kan dus terug ontstaan.
Paul Cock
Graag uw commentaar.
